Wieken spoorloos, achterzomer rot

Door wanbestuur en geldgebrek kon de bonte knaagkever zijn gang gaan: de molens in de provincie Utrecht zijn er slecht aan toe....

TEKST MICHIEL HAIGHTON

De wind heeft al jaren geen grip meer op 'Geesina'.

Zijn wieken liggen als oud vuil buiten onder een laag onkruid weg te rotten, evenals enkele andere onderdelen van de 169 jaar oude korenmolen aan de Ruigenhoeksedijk in Groenekan. Binnen is het beeld niet minder treurig.

Langdurige lekkages hebben het houtwerk zo ernstig aangetast dat de houten vloeren op instorten staan; stutpalen voorkomen dat de boel in elkaar zakt. Het weerhoudt molenaar (zijn hobby) en molendeskundige (zijn professie) Paul Groen er niet van om op de twee bovenste etages poolshoogte te nemen. 'Als je precies in mijn voetsporen loopt, zak je niet door de vloer.'

Het achterstallig onderhoud van molens is geen exclusief Utrechts probleem. Ruim veertig procent van de 1200 molens in Nederland moet dringend worden gerestaureerd. Dit blijkt uit cijfers van de Rijksdienst voor de Monumentenzorg en de vereniging De Hollandsche Molen.

Volgens monumentenzorg is er minimaal een bedrag van 70 miljoen euro nodig om de 450 molens die er het ergst aan toe zijn de komende tien jaar te restaureren. Staatsecretaris van Cultuur Medy van der Laan heeft op kamervragen geantwoord dat er geen extra geld beschikbaar komt voor het inlopen van de restauratie-achterstand. Zij wil geen onderscheid maken tussen molens en andere monumenten. Wel erkent ze dat de nood bij molens het hoogst is.

Leo Endedijk, directeur van De Hollandsche Molen: 'Kastelen of kerken zijn vrijwel altijd van steen. Als je die eens in de vijftig jaar grondig renoveert, is dat voldoende. Molens zijn vaak van hout en moeten om de 25 jaar grondig worden aangepakt. Daarnaast vergen ze ook nog eens meer onderhoud.' Vooral dat laatste punt wordt in het huidige subsidiesysteem niet voldoende ondervangen, meent hij.

'Voor onderhoud is nauwelijks geld. Met als gevolg dat het verval nog harder gaat.'

Groen (34) onderzocht in opdracht van de provincie Utrecht en de Stichting De Utrechtse Molens (SDUM) de staat waarin de 22 molens van de stichting verkeren. De uitkomst van zijn onderzoek: 'drastische maatregelen' zijn nodig om het voortbestaan van de molens te garanderen. Van de 35 molens in de provincie zijn er 22 in eigendom van de molenstichting, waarvan er door een grenscorrectie sinds kort in de provincie Zuid-Holland ligt.

Door achterstallig onderhoud, mede te danken aan een nalatig en weinig betrokken stichtingsbestuur, is in tien jaar de aanvankelijk 'goede' conditie van molens in de provincie veranderd in 'zeer slecht'. Dat geldt in hoge mate voor de Geesina; geen Utrechtse molen die er zo slecht bij staat.

Tot halverwege de jaren zestig werd Geesina nog door een lokale graanhandelaar gebruikt. Nu rest van de Groenekanse korenmolen niets meer dan een stenen romp. 'Rationeel en financieel gezien' zou de molen volgens Groen eigenlijk helemaal moeten worden herbouwd. Maar 'emotioneel gezien' ligt dat volgens 'molengek' Groen (34) anders. 'Een monument restaureer je, daar bouw je geen replica van.'

De Geesina is in 1998 door Stichting De Utrechtse Molens aangekocht met het doel de molen in oude luister te herstellen. Maar van de geplande restauratie is weinig terechtgekomen. En het metselwerk dat wel is verricht, is niet vakkundig uitgevoerd. Op veel plaatsen laat het voegwerk alweer los, constateert Groen, die met zijn gelijknamige adviesbureau is gespecialiseerd in molens en 'ander industrieel erfgoed'.

Het halfslachtige lapwerk is tekenend voor de wijze waarop de in 1963 opgerichte Stichting De Utrechtse Molens (SDUM) de laatste jaren haar werk deed, blijkt uit een notitie van de provincie Utrecht. In een lange lijst met 'oorzaken van de problemen' concludeert de provincie dat het stichtingsbestuur zacht gezegd 'weinig betrokken' was. Te veel restauraties werden tegelijkertijd uitgezet; van concurrentie tussen aannemers werd onvoldoende gebruik gemaakt; van een kostendekkende exploitatie van de molens is nauwelijks werk gemaakt; onderhoud was een 'sluitpost'; bij de uitvoering van werkzaamheden werd afgeweken van de (goedgekeurde) plannen; en er is onvoldoende omgezien naar extra middelen van fondsen en sponsors.

Vorige maand is het voltallige bestuur van de SDUM uit eigen beweging opgestapt. De demissionair voorzitter van de SDUM, Jeanne Slok, voelt zich evenwel niet verantwoordelijk voor de problemen. 'Ik ben juist de klokkenluider geweest die de financi problemen in de openbaarheid heeft gebracht.' Zij trad in januari 2002 aan. 'Ik heb toen direct gezegd dat het zo niet langer kon.'

Maar ook haar zes mede-bestuursleden valt niet veel te verwijten, vindt Slok. 'Het zijn stuk voor stuk vrijwilligers die keihard hebben gevochten voor de Utrechtse molens. Hooguit hebben ze te laat aan de bel getrokken: dat de stichting structureel te weinig geld van de provincie kreeg.' Volgende week treedt een nieuw SDUM-bestuur aan. Slok keert met nog twee andere oudbestuurders terug, maar waarschijnlijk niet als voorzitter.

Om de Geesina en de 21 andere molens en molenhuizen die de SDUM in bezit heeft, de komende drie jaar weer in goede staat te brengen, is een bedrag van 4,5 miljoen euro nodig. Plus een half miljoen voor de stichting zelf; die is praktisch failliet. De hoop is nu gevestigd op de diepe zakken van de provincie Utrecht. Die lijkt bereid de benodigde miljoenen op tafel te leggen. Maar daarvoor moet de stichting eerst een 'plan van aanpak' produceren en voorzien van een 'goede financi onderbouwing'. Einde van dit jaar neemt de provincie een besluit.

De 'Spengense Molen' aan de rand van het dorpje Kockengen kan het tot die tijd wel uitzingen. Het is een zogenoemde 'wipmolen' uit 1841, herkenbaar aan de piramidevormige ondertoren met daarbovenop een draaibaar (houten) bovenhuis met wieken. Het 'wippen' verwijst naar het schudden van het bovenhuis bij harde wind. Op het eerste oog lijkt er niks aan de hand met de Spengense Molen, maar volgens Groen lekt hij behoorlijk door slecht teerwerk en schilderwerk.

In het bovenhuis laat hij zien hoe de bonte knaagkever zich in het houtwerk heeft gevroten. 'Een gatenkaas', zegt Groen hoofdschuddend, terwijl hij her en der wijst op de hoopjes boormeel, die verraden dat er nog steeds flink wordt geknaagd. Met een goede houtwormbehandeling alleen is de molen nog niet uit de brand. De tachtig jaar oude rieten dakbedekking verpulvert bij de lichtste aanraking; bovendien is hij toe aan een schilderbeurt.

Volgens Groen zal er altijd geld moeten worden toegelegd op deze industri monumenten. 'De exploitatie van molens is vrijwel niet kostendekkend te krijgen. Het zijn onderhoudsgevoelige bouwwerken die, op een enkele uitzondering na, geen functie meer vervullen in de economie.'

En het toerisme dan? 'Vergeet het maar', zegt Groen. 'De beroemdste molens van Nederland, die in Kinderdijk, trekken jaarlijks 400 duizend bezoekers die elk twee euro entree betalen. Trek daar alle kosten en belastingen vanaf en de stichting die de molens beheert, houdt niet eens genoeg over om de helft van de negentien molens te onderhouden.'

Boven van linksaf: De Geesina (bouwjaar 1835) in Groenekan; koppelmolenstenen van De Geesina (waarmee graan tot meel wordt gemalen); houtrot in De Spengense Molen in Kockengen; molendeskundige Paul Groen inspecteert de rieten dakbedekking van De Spengense Molen. Onder: De Spengense Molen, een zogenoemde 'wipmolen'.

Meer over