Wie wil er bloed op de achterbank

Afgelopen week maakte hij op 44-jarige leeftijd een eind aan zijn leven: de Amsterdammer die in 1983

MAUD EFFTING

Daar staat hij, Nico Bodemeijer. Met zijn kortgeschoren kop en zijn Lonsdale-shirt. Grote, onzekere ogen. Een skinhead. Schichtig poseert hij voor de fotograaf die begin jaren tachtig talloze jongeren in poptempel Paradiso vastlegde.

Wie had gedacht dat hij in de zomernacht van 1983 de 15-jarige Antilliaanse jongen Kerwin Duinmeijer zou neersteken? Dat hij na een onbeduidende ruzie met een paar jochies in een snackbar in de Amsterdamse Damstraat naar een naburig café zou lopen en een mes zou vragen, en vervolgens zou steken?

Zijn daad ging de geschiedenis in als de eerste racistische moord na de oorlog. Vrienden van Kerwin Duijnmeijer probeerden het zwaargewonde slachtoffer per taxi naar het ziekenhuis te brengen, maar de chauffeur weigerde. 'Wie wil er bloed op de achterbank', zong Frank Boeijen hierover in zijn hit Zwart Wit.

Over de racistische motieven van Bodemeijer wordt nog altijd getwist, maar het boek over hem kan voorlopig dicht. Vorige week maakte hij op 44-jarige leeftijd in Amsterdam een eind aan zijn leven.

Toch deed hij dat niet uit wroeging over de moord, zegt journaliste Natasha Gerson die hem goed kende. Bodemeijer leed aan longemfyseem en wilde de verstikking vóór zijn. 'Het was niets voor hem om in een ziekenhuisbed aan slangen te eindigen.' Zijn longziekte kreeg hij door een bijna dertig jaar lange verslaving aan het roken van heroïne.

Wie in het leven van Bodemeijer duikt, komt onherroepelijk uit bij zijn tragische, verrotte jeugd. Als nakomertje van een vader die op het Waterlooplein marktkramen verhuurde en een moeder die een café runde, kreeg hij nauwelijks aandacht. 'Hij werd aan zijn lot overgelaten', zegt documentairemaker Kees Vlaanderen die een portret van hem maakte.

'Zijn ouders waren nooit thuis en vaak bezopen', zegt Gerson. 'Als ze 's ochtends vroeg thuis kwamen en hij had de afwas niet gedaan, dan kreeg hij te horen dat hij niets waard was. Terwijl hij niet dom was, Nico zat een half jaar op het gymnasium. Hij vertelde mij dat hij in het café van zijn ouders vóór zijn dertiende minstens één keer had gezien dat iemand werd neergestoken. Uit die wereld kwam hij.'

Nico's vader was joods; zijn hele familie werd uitgemoord in de oorlog - een trauma waardoor hij de rest van zijn leven werd achtervolgd. Volgens het rapport van het Pieter Baan Centrum was zijn vader zeer driftig en kortaangebonden en had hij zichzelf niet altijd goed in de hand.

Zijn moeder was volgens hetzelfde rapport een weinig gevoelvolle, weinig warme vrouw. Ze vertoonde een stevige dosis agressie en zou zeer op zichzelf gericht zijn. Nico's relatie met haar was slecht.

Rond zijn dertiende werd hij skinhead, zoals meer rebellerende jongeren uit die tijd. 'Ik had ook punker kunnen worden, alleen ik werd skinhead. Het had eigenlijk puur met de muziek te maken', zei hij later. Hij liet het woord 'skinhead' op zijn achterhoofd tatoeëren. In zijn nek stond 'made in Holland' en op zijn knokkels de woorden 'Nico' en 'hate'.

Tijdens de beruchte zomeravond in 1983 begon zijn vriend Dirk met ruziezoeken en bracht de Hitlergroet. Nico hield zich eerst afzijdig. Hij had wel gedronken. Later verklaarde hij tegen de politie dat Kerwin smerig naar hem had gekeken en dat hij vervolgens tegen hem 'loop door nikker' had geroepen.

'Je moet bedenken dat hij toen pas 16 was, en dat hij opgroeide in een ruige buurt, het Waterlooplein', zegt documentairemaker Kees Vlaanderen. 'Op de markt gingen ze allemaal zo met elkaar om.' De rechter oordeelde later dat hij niet handelde uit racistische motieven. Ook het Pieter Baan Centrum zag dat zo: Nico werd een zeer onevenwichtige, zoekende puber genoemd die op zijn tenen moest lopen, bang, angstig.

Toen Nico in 1988 vrijkwam, sloot hij zich aan bij neonazi's en de Centrumpartij. Ook raakte hij opnieuw betrokken bij vechtpartijen. 'Hij was opgejaagd wild', zegt Gerson. 'Als je in bepaalde kringen kon zeggen dat je Nico Bodemeijer op zijn bek had geslagen, dan was dat wat.'

In 1989 stak hij een blanke man neer na een caféruzie over discriminatie. Ook werd hij dat jaar zelf neergestoken. Verder gooide hij in 1998 een wielklem van twee hoog op een auto van twee parkeerwachten. Toch liet hij zich volgens Gerson gaandeweg minder provoceren. 'Nico was verslaafd, maar hij werkte elke dag keihard op de markt van zijn vader.'

Dat hij een tijd met neonazi's omging, kwam ook doordat dat de enigen waren die hem niet uitkotsten, zegt Vlaanderen. 'In de ogen van de maatschappij was hij de verpersoonlijking van het kwaad. Hij heeft nooit meer een andere identiteit gekregen. En Nico was wel een jongen die daar dan ook naar ging leven.'

Later brak hij alsnog met de neonazi's. De slechte reputatie bleef. 'Overal waar hij kwam wonen, stond de buurt protesterend op straat', zegt Gerson. 'Elk jaar werd zijn naam genoemd tijdens de herdenking. Dat raakte hem.'

de Antilliaanse jongen Kerwin Duinmeijer neerstak.

undefined

Meer over