'Wie weet vind ik mezelf opnieuw uit'

In 2005 overleden schrijver-journalist Karel Glastra van Loon, schrijver Louis Ferron, regisseur Willem van de Sande Bakhuyzen en cabaretier Herman Berkien....

Karin Kuiper (42) over Karel Glastra van Loon , de schrijver en journalist overleed 1 juli 2005 op 42-jarige leeftijd.

Ik ben een heel slechte toneelspeelster. Dus mijn kinderen zien me geregeld huilen. 'Wat is er mama?', vraagt Bobbie van 6 dan. 'Dat wéén t je toch', zegt Noa van 4 vervolgens, 'papa is dood!' En ze aaien me even, of ik krijg een kusje, en dan gaan ze weer spelen.

Ik heb meer dan vroeger de behoefte om alleen te zijn, en na te denken over de dertien jaar die Karel en ik samen hebben doorgebracht. Ik ga te rade bij een therapeut, maak deel uit van een rouwverwerkingsgroepje, bezoek op internet zelfhulpgroepen. Maar altijd zijn daar de kinderen die me bij de dagelijkse dingen betrekken. Ze zorgen ervoor dat ik ook ergens ánders over praat. Voor hen gaat het leven gewoon door. Dat wil trouwens niet zeggen dat ze er niet mee bezig zijn: Dante van 2 ziet Karel steeds om zich heen, Noa overziet al beter wat het betekent dat haar vader nooit meer zal terugkomen. Ze gelooft in reïncarnatie, en ik neem haar dat idee niet af. Ze hebben alledrie recht op hun eigen gevoelens en theorieën. In de auto, achterin, wordt alles besproken, óók waar ze bang voor zijn. Hun grootste angst: dat ook ik weg zal vallen. Ik heb ze uitgelegd dat er dan iemand is die ervoor zal zorgen dat ze altijd samen zullen zijn.

Het stond voor mij van meet af aan vast dat ze bij het afscheid van Karel aanwezig zouden zijn. Ik ben naar de Wibra gegaan, of all places, en heb schetsblokken, stickers en viltstiften gekocht. Tijdens de crematie zaten ze met al dat knutselspul met vriendinnetjes aan een tafeltje. Bobbie heeft ook nog foto's gemaakt. Maar ik heb ze niks laten voordragen. Hun opa heeft ze toegesproken. Later vroeg een vriendinnetje aan Noa wat ze het allermooiste feestje uit haar leven vond. Noa antwoordde: 'De begrafenis van papa.'

Karel werkte voor de universiteit van Ann Arbor in Amerika toen hij een epileptische insult kreeg. Het was een prachtige zonnige dag, met vrieskou. Dante zat in een rugzak op mijn rug, de meisjes zaten aangekleed als eskimo's, in grote boots, in opperbeste stemming, met Karel op een sleetje. Even later lag hij onderaan de heuvel voorover in de sneeuw, hij had pijn aan zijn hart, kon zijn been niet meer bewegen. In het ziekenhuis bleek wat ik vanaf de eerste tel had gedacht: dat het om een hersentumor ging. In de drie kwartier tussen de scan en de uitslag leefde ik in een soort dik water: alles was helder en gewoon en tegelijkertijd was alles anders. In die 45 minuten gingen dagen voorbij - we lieten ons oude leven achter ons en begonnen iets nieuws. Het verpleegkundig personeel werd steeds zenuwachtiger, zei: 'Oh you poor girl.' Maar de medische begeleiding was, ook later, heel menselijk, en veel warmer dan wat we vervolgens in Nederland hebben ervaren. Toen Karel hier zijn eerste epileptische aanval kreeg, en hij dacht dat hij aan zijn hart zou bezwijken, hebben we hemel en aarde moeten bewegen om een ambulance te krijgen. Want, zo luidde de reactie: meneer was toch gewoon bij kennis. Pas na interventie van een bevriende buurman, die dreigde een klacht te zullen indienen, kwamen ze opdagen.

In de zeventien maanden die Karel na de fatale diagnose restten, bleek hij een uitzonderlijk makkelijke patiënt te zijn. Ontdaan van alle franje zie je iemands persoonlijkheid pas echt, en die was in zijn geval: aardig, lief, nooit boos of verontwaardigd. Karel en ik deelden dezelfde visie: dat het leven niet per definitie rechtvaardig is, dat het lot je met gemak geluk kan toewerpen, maar datzelfde geluk ook kan verstoren. Karel was niet bang voor de dood. Van euthanasie was hij geen voorstander, omdat hij vond dat doodgaan bij het leven hoort en hij dat leven tot het einde toe zelf vorm wilde blijven geven. Gedoe met spuitjes vond hij onnatuurlijk. In zekere zin zag hij zelfs uit naar de dood, omdat hij nieuwsgierig was naar wat er na dit leven zou komen. Wat hij wél heel erg vond: dat hij zijn kinderen moest achterlaten, en dan denk ik met name Dante, zijn jongen, de kleinste.

Voor mij blijft het onwezenlijk dat hij er nu niet meer is, al realiseer ik me elk moment van de dag dat hij dood is. Maar tegelijkertijd voelt hij zo dichtbij dat ik het onbegrijpelijk vind. Vóór ik hem leerde kennen, had ik altijd het gevoel op zoek te zijn naar iemand die ik nog niet gevonden had. Ik voelde me pas compleet toen ik met Karel was. Nu hij er niet meer is, voel ik me geamputeerd.

Gelukkig zijn de kinderen er nog. Als zij er niet waren zou ik gaan bungee-jumpen of kite-surfen om het leven te tarten - of liever: de dood. Ik zou in elk geval roekelozer zijn dan ik nu ben. We gaan met zijn vieren wel een groot avontuur aan: op 24 december, Karels verjaardag, vertrekken we voor elf weken naar Australië. Daar ben ik met Karel nog nooit geweest, zodat ik er niet ogenblikkelijk op dierbare herinneringen stuit. De auto is gehuurd, een aantal bed-and-breakfasts geregeld, en verder zien we wel. Ik verheug me er enorm op om zo lang alleen met de kinderen te zijn. Ik hoop dat het ons nieuwe levenslust zal geven. Wie weet vind ik mezelf wel opnieuw uit.

Over een aantal jaren zullen Bobbie, Noa en Dante Karels boeken lezen. Uren zullen ze bezig zijn met zijn woorden, en dat is een troostrijke gedachte. Dat hun vader veel te vroeg is overleden, zou je als het drama van hun leven kunnen beschouwen. Maar ik zorg er liever voor dat het de basis van hun kracht is, en dat ze straks, net als Karel, flexibele mensen zullen zijn die de confrontatie met het leven aandurven.'

Meer over