Wie was mr L.A. Ries?

EEN PAAR JAAR geleden was hij even terug in de journalistieke aandacht: de prominente Nederlandse ambtenaar Leopold Abraham Ries, wiens briljante carrière in 1936 - hij was toen net veertig - als gevolg van een vermeend zedenschandaal tot een abrupt einde kwam....

JAN BLOKKER

De memoires van Ries' hoogbejaarde vriend E.B. de Bruyn waren de onmiddellijke aanleiding voor de kortstondig herleefde belangstelling. 'In mijn boek', vertelde De Bruyn aan Het Parool, 'beschrijf ik het schandaal was mr Ries. Hij was thesaurier-generaal, maar ook een jood en bovendien een homo. Dus die moesten ze de ruggegraat breken, en daar zijn ze ook in geslaagd. De politie was in die tijd altijd op jacht naar homo's, en je had die bepaling dat als je iets gedaan had met iemand die nog geen 21 was, je veroordeeld kon worden tot een aantal maanden of jaren gevangenisstraf. Daar werd ook gebruik van gemaakt. Onder de politie waren echt laat ik maar zeggen flikkerhaters. Die wilden de homo's uitroeien. In Duitsland werden ze al in concentratiekampen gestopt. In 1936 heeft de politie een actie ontketend tegen Ries en een andere hoge ambtenaar van Justitie, die op de nominatie stond voor de Hoge Raad, Fruin. Ze werden opeens gearresteerd, beschuldigd van ontucht met minderjarigen. Er was een jongeman voor omgekocht om te getuigen. Uiteindelijk is dat allemaal een beetje misgelopen, behalve dan dat Ries in opspraak was gekomen.'

Aan het eind van het jaar waarin het boek van De Bruyn verscheen (Uit een leven, 1991), kreeg de in de zaak geïnteresseerde Groningse historicus E. Henssen een brief van Johan Polak, die hem schreef: 'Over Ries is een prachtig boek te schrijven, mits àlles wordt uitgezocht, ook het lamentabele gedrag van de zogenaamde liberaal Oud, die zich zo graag met de rijkscommissaris Seyss-Inquart liet fotograferen. Die foto moet erbij, want die is veelzeggend, en vermoedelijk op het RIOD aanwezig. Ik heb hem meerdere malen ergens onder ogen gehad. Er is werkelijk een prachtig en spannend boek van te maken: homovervolging, jodenvervolging, Amerika, Ries' werkzaamheden aldaar, Hans Lodeizen, ga maar door . . .'

De aanmoediging bleek niet aan dovemansoren gericht. Onder de titel Een welmenend cynicus - Opkomst, val en eerherstel van mr L.A. Ries heeft Henssen inmiddels een reconstructie van de spraakmakende affaire (en half en half tevens een levensbericht van het slachtoffer) in het licht gezonden. Zònder de door Polak gewenste foto van mr P.J. Oud, die indertijd als minister van Financiën in het derde kabinet-Colijn Ries' directe chef was en die inderdaad geen hand heeft uitgestoken om zijn hooggeprezen ambtenaar ('een van de vijf beste die het land kende', zou Colijn hebben gevonden) van de ondergang te redden. Wel merkt Henssen in zijn voorwoord op dat 'de nijvere chroniqueur' van Het jongste verleden (de Nederlandse parlementaire geschiedenis tussen 1918 en 1940, in zes delen) in zijn tamelijk uitputtende terugblik uitgerekend zweeg over het toch nogal opzienbarende tweedaagse kamerdebat waarin over het schandaal werd gesproken.

Dat debat vond plaats in november: een half jaar na de arrestatie van onder anderen Ries en Fruin en op een moment dat al lang vaststond dat er van niet meer of minder dan een justitiële dwaling sprake was geweest. Acht dagen na zijn arrestatie (op de avond nota bene dat hij in de ministerraad verslag had gedaan van zijn in Berlijn met succes bekroonde onderhandelingen over een Nederlands-Duits 'transferverdrag'!) was Ries al weer op vrije voeten.

Eind september verklaarde de officier van justitie zijn onderzoek voor gesloten, en was overduidelijk geworden dat de kroongetuige - het is maar zeer de vraag of hij, zoals De Bruyn volhield, zou zijn omgekocht, dus als agent provocateur van wie dan ook zou hebben gediend - een notoire mythomaan was. Half oktober werd bericht dat niet tot vervolging zou worden overgegaan. Het was aan de Kamer om het kabinet - en meer speciaal minister van Justitie Van Schaik - om opheldering te vragen over het volstrekt onverantwoorde - en in brochures van onder anderen het SDAP-kamerlid ds A. van der Heiden aan de kaak gestelde - optreden van politie, rechter-commissaris en officier van justitie.

De wijze waarop de in het nauw gebrachte Van Schaik en de op afstand blijvende 'lamentabele' Oud zich met 'nieuwe gegevens' uit het debat wisten te draaien, wordt door Henssen met verve beschreven. Er bleek nog ander 'bezwarend materiaal': een proces-verbaal waarin niet de aanvankelijke, mythomane kroongetuige, maar een niet nader genoemde Q verslag deed van een al in 1935 gehouden Haagse herenpartij waar het vrolijk en sexy was toegegaan en aan het eind waarvan de gasten het bruidslied uit Lohengrin hadden gezongen.

Met weglating van de ergste bijzonderheden ('Behalve dat G. mij heeft gekust, heeft hij mij - volgt omschrijving van een uitgesproken homoseksuele handeling', stond er bijvoorbeeld) maakte Van Schaik deze verklaring op de laatste van de twee zittingsdagen openbaar, en ofschoon er alleen maar uit bleek dat Ries op het feestje aanwezig was geweest, redde hij daarmee niet alleen zijn begroting, maar ook zijn figuur: voor de Kamer was nu zonneklaar dat Ries zich in enge milieus bewoog en dus ook overigens niet helemaal kon deugen, en dat derhalve de politionele vervolging 'niet lichtvaardig is geschied', zoals het Algemeen Handelsblad concludeerde.

Want niet alleen de meerderheid van het parlement was na Van Schaik's 'dramatische verklaring' met instemmende stomheid geslagen. Ook de meerderheid van de Nederlandse kranten - die in mei bloed hadden geroken en zich een paar maanden later tegen Justitie keerden, omdat er geen bloed wilde vloeien - was ineens om. Henssen citeert uitvoerig uit onder andere De Standaard (AR), die melding maakte van de roemruchte verklaring en vervolgde: 'Men verlange niet van ons dat wij het hier bespreken. Wij willen eerlijk verklaren dat men onder de voorlezing van enkele dingen onpasselijk dreigde te worden. Het was soms vies en walgelijk en wij willen onze lezers niet onthalen op iets sensationeels . . . Indien hier niet opgetreden ware - afgezien van de vraag of bij dat optreden als zodanig geen fouten zijn gemaakt - zou dat een schande zijn. Even ging de deksel open, bah wat een lucht'

Henssen zou, als hij dat gewild had, zijn onderzoek naar de toedracht der feiten binnen de perken hebben kunnen houden van een beschamend hoofdstuk Nederlandse persgeschiedenis - de waakhond van de democratie was bij de aanblik van één dubieus handjevol hapklare brokjes weer eens kwispelend in z'n mand teruggekropen; het is misschien kenmerkend dat alleen nationaal-socialistische en fascistische kranten zich betrekkelijk gedeisd hielden - niet zozeer om de jood Ries te sauveren, als wel om de (parlementaire) democratie in gebreke te stellen.

Ries, die in december 1936 toch nog eervol ontslag kreeg (zij het zonder de dankbetuiging voor bewezen diensten die bij zo'n koninklijk besluit gebruikelijk is) was, hoe dan ook, geveld. Omdat hij te hoog te paard zat? Omdat hij een jood was, en nog wel eentje die kort tevoren een voor Nederland bijzonder profijtelijke financiële overeenkomst met de Duitse nazi's had gesloten? Vanwege zijn misschien iets te openlijk beleden homoseksualiteit? Daar zijn de geleerden het nooit over eens geworden. Daar doet Henssen ook geen uitspraak over.

Johan Polak zou tevreden zijn geweest: het verhaal van 'opkomst, val en eerherstel' van Ries is inderdaad spannend geworden, zeker als het om de eerste zes hoofdstukken gaat, die het schandaal, de politieke reacties en de schijnheilige journalistieke commentaren uit de doeken doen. Het slothoofdstuk bungelt er een beetje bij. Niet omdat de rest van Ries' leven saai zou zijn geweest. Dat zijn ambtelijke loopbaan werd verstoord is misschien nog een blessing in disguise geweest: hij had in ieder geval geen verplichtingen meer tegenover de Staat der Nederlanden toen de Tweede Wereldoorlog was uitgebroken en hij besloot naar Amerika te emigreren. Volledig gerehabiliteerd diende hij daar andermaal de Nederlandse regering als financieel adviseur - maar hij sloot er ook vriendschappen met figuren in ballingschap als Greshoff, Vroman en Adriaan van der Veen, in welke hoedanigheid hij in de letteren een even interessante achtergrondfiguur werd als hij in de politiek was geweest.

Maar doordat Henssen kennelijk geen duidelijke keus heeft kunnen maken tussen een biografie en de reconstructie van dat ene schandaal, blijft één klemmende vraag zo goed als onbeantwoord: wie wàs Leopold Abraham Ries nou precies, behalve dat hij volgens Greshoff de welmenende cynicus was waarvan de titel van het boek spreekt?

E.W.A. Henssen: Een welmenend cynicus - Opkomst, val en eerherstel van mr L.A. Ries. Bas Lubberhuizen; ¿ 39,50. ISBN 90 73978 28 9.

Meer over