Wie was Bing Crosby?

IN DE LATE zomer en vroege herfst van 1977 stierven kort na elkaar vier van de invloedrijkste vocalisten van de twintigste eeuw: Elvis Presley op 16 augustus, Ethel Waters op 1 september, Maria Callas op 16 september en Bing Crosby op 14 oktober....

Toch werd twintig jaar later, in 1997, alleen de dood van Elvis grootscheeps herdacht. Bing Crosby leek geheel vergeten, ook toen het Amerikaanse weekblad Newsweek in 1999 een special van veertig pagina's wijdde aan de 'Stemmen van de Eeuw'. Crosby werd nergens genoemd en was alleen per ongeluk op een foto te zien als de man naast Frank Sinatra.

Dat was een verbazingwekkende ontwikkeling voor wie de wapenfeiten van Crosby's carrière kent. Hij scoorde 38 nummer-één-hits, meer dan wie ook in de Amerikaanse geschiedenis (de Beatles kwamen tot 24, Presley tot 18). Van 1931 tot 1950 had Crosby per jaar gemiddeld zestien platen in de hit-parade (met een top van 27 in 1939). Met White Christmas maakte hij de populairste plaat aller tijden, de enige single die van 1942 tot 1962 elk jaar opnieuw (op één keer na) de hit-parade haalde. Zijn radioprogramma Kraft Music Hall trok van 1935 tot 1946 wekelijks vijftig miljoen luisteraars.

Tussen het zingen door had Crosby ook nog een geduchte loopbaan als filmster. De zeven komische avonturenfilms die hij vanaf 1940 met Bob Hope maakte (Road to Singapore, Road to Zanzibar, Road to Morocco enzovoort) vormden de succesvolste bioscoopserie vóór James Bond. Hij werd drie keer genomineerd voor een Oscar en won er zelfs één voor zijn serieuze rol als pastoor in Going My Way (1944).

De Amerikaanse muziekjournalist Gary Giddins, die eerder boeken schreef over Charlie Parker en Louis Armstrong, heeft zich opgeworpen om Bing Crosby zijn rechtmatige plaats in de geschiedenis terug te geven. Hij neemt daartoe geen halve maatregelen. Bing Crosby: A Pocketful of Dreams telt, los van de discografische en filmografische aanhangsels, bijna zeshonderd pagina's. En dit is nog maar deel één van de biografie, over de jaren 1903-1940. Het is alleen de vraag of Giddins met dit monnikenwerk in zijn opzet tot rehabilitatie zal slagen.

Tijdens Crosby's leven verschenen al vele boeken over hem, van Barry Ulanovs eerste biografie The Incredible Crosby uit 1948 tot de opgewekte autobiografie Call Me Lucky (1953).

In 1981, vier jaar na Crosby's dood, deden Donald Shepherd en Robert F. Slatzer een postume poging tot karaktermoord met Bing Crosby: The Hollow Man, waarin zijn reputatie tot de grond toe werd afgebroken. Hij verraadde zijn vrienden, was aan de drank, haatte zijn kinderen en dreef zijn eerste echtgenote Dixie Lee de dood in. Twee jaar later publiceerde oudste zoon Gary Crosby Going My Own Way, waarin hij ook hardhandig afrekende met zijn vader.

Giddins maakt korte metten met deze strijdschriften. The Hollow Man is 'een barbaarse biografie, gebaseerd op klunzig onderzoek' en Gary Crosby is een rancuneuze alcoholist. Beide boeken misbruikten de omstandigheid dat de Amerikaanse smaadwetten niet van toepassing zijn op overleden personen en 'presenteerden ongefundeerde geruchten als feit'.

Dat laatste verwijt valt Giddins in elk geval niet te maken. Hij heeft, met assistentie van minstens tien researchwerkers, sinds 1991 werkelijk uitputtend onderzoek gedaan naar de feiten inzake Bing Crosby. De enige fout die hij heeft gemaakt, is dat hij al die feiten ook in zijn boek heeft willen zetten.

In zijn monografieën over Parker en Armstrong, Celebrating Bird en Satchmo, gaf Giddins aangenaam beknopte schetsen van leven en werken van zijn jazzhelden, waarbij hij ook hun bredere culturele betekenis op verhelderende wijze definieerde. Met A Pocketful of Dreams denkt hij hoger te reiken, naar het niveau van de klassieke biografie. Maar wie de 592 pagina's van deel één heeft doorgenomen, worstelt nog steeds met de vraag: wie was Bing Crosby?

Met Crosby's belang voor de ontwikkeling van de populaire zang in Amerika kan Giddins goed uit de voeten. Hij was in de jaren twintig, mede dankzij de ontwikkeling van de microfoon, de eerste die geen gekunstelde keel opzette. 'Terwijl andere zangers plechtstatig galmden of belegen falsetgeluiden voortbrachten, zong Bing precies zoals hij sprak. Zijn stijl vermeed alle gemaniëreerdheid; his art seemed artless, even effortless.' Ook Crosby's ongewone ritmische souplesse, die hij aan de jazz ontleende, komt goed uit de verf. En Giddins maakt overtuigend duidelijk dat de zanger, zelf van Ierse komaf, altijd bewonderenswaardig vrij is geweest van elk raciaal vooroordeel - dat was in het Amerika van de jaren twintig en dertig bepaald niet gewoon. Met Louis Armstrong onderhield Crosby tientallen jaren een respectvolle vriendschap.

Zodra Giddins probeert om Crosby als icoon te tekenen, als model van de ideale Amerikaan, wordt zijn betoog waziger: 'Bing was quintessentially American, cool and upbeat, never pompous, belligerent, or saccharine, never smug or superior. (. . .) He was free to choose and reject aspects of his past, or images from his imagination, to concoct the better man he resolved to be.' En de mens Crosby blijft helemaal buiten zicht, de man die ontspannen camaraderie en gulle hulpvaardigheid zo raadselachtig combineerde met ongenaakbare distantie en hardvochtige onverschilligheid.

Achter op het stofomslag staat een intrigerende uitspraak van klarinettist en amateur-filosoof Artie Shaw: 'The thing you have to understand about Bing Crosby is that he was the first hip white person born in the United States.' Als Giddins had afgezien van het pagina na pagina beschrijven en analyseren van honderden, vaak ook volgens hemzelf ernstig gedateerde Crosby-platen en in plaats daarvan tien bladzijden had besteed aan het onderbouwen van Artie Shaws stelling, zou hij een korter maar aanzienlijk interessanter boek hebben geschreven.

Meer over