WIE IS VICTOR TEN HOVE?

> INTERVIEW WINNIE SORGDRAGER Het geheim is niet lang bewaard gebleven. Achter de auteur Victor ten Hove zit oud-minister Winnie Sorgdrager....

Zegt VVD-senator Uri Rosenthal in het voorbijgaan tegen voormalig D66-leider Thom de Graaf: ooit van Victor ten Hove gehoord? Rosenthal is Nederlands veiligheidsexpert; De Graaf was minister van Binnenlandse Zaken. Maar wie is Victor ten Hove? Hij begeeft zich op het terrein van Rosenthal en De Graaf met zijn debuutroman Ongeschreven wetten, dat gaat over het ministerie van Veiligheid en de onderlinge machtsverhoudingen dan wel persoonlijke ambities van ambtenaren. De flaptekst van de roman vertelt dat de schrijver werd geboren in 1952 en rechten en geschiedenis studeerde in Leiden.

Pikanter is de vermelding dat de schrijver is gepokt en gemazeld in het politieke en ambtelijke circuit in Den Haag. Wie is Victor ten Hove? Rosenthal en De Graaf zijn niet de enigen die zich deze vraag stellen, hoewel Den Haag door het verkiezingsgeweld nog nauwelijks weet heeft van het boek. Slechts een enkeling zet de feiten op een rijtje en is bereid tot een voorzichtige speculatie. Op internet is al een verwijzing naar het ontslag van een topambtenaar naar aanleiding van de Schipholbrand.

Maar de feiten kloppen niet. Want Victor ten Hove is een pseudoniem en zijn alter ego is van 1948 en studeerde in Groningen. De onthulling is daar. Victor ten Hove is niemand minder dan Winnie Sorgdrager, minister van Justitie in het eerste Paarse kabinet (1994-1998) en op dit moment lid van de Raad van State.

‘Het is geen sleutelroman’, haast ze zich te zeggen. Wie op zoek gaat naar bekende figuren komt bedrogen uit. In niemand is de lijvige persoon van Arthur Doctors van Leeuwen, ooit Sorgdragers tegenpool, te ontwaren. ‘Een sleutelroman zou te kinderachtig zijn, te veel een zoekplaatje. Bovendien zou je er mensen mee beschadigen en dat wil ik niet.’

Maar waarom dan een pseudoniem?

‘Ik had het nodig om het boek te kunnen schrijven. Er zijn ook politiemannen die crimi’s schrijven, zo moet je het zien. Nee, het is geen zendingsdrang of zoiets. Ik was oorspronkelijk ook niet van plan mijn ware identiteit te onthullen, maar ik heb gemerkt dat dat niet werkt. De druk om dat pseudoniem te onthullen, was groot.’

Wat heeft u willen beschrijven?

‘De bijzondere constellatie van de ambtelijke en politieke wereld. Dat is een heel andere dan die van het bedrijfsleven. Het is leuk en relevant om bezig te zijn met de publieke zaak, maar ook lastig. Als in de publieke dienst dingen gebeuren is de impact vele malen groter, omdat iedereen meekijkt. Democratische controle betekent ook democratisch meekijken.

‘Een gewoon bedrijf houdt de vuile was binnen, daar heersen andere normen. Daar wordt gezegd: als je het niet aanstaat, ga je toch weg. Bij de overheid is er altijd een buitenpartij die zich bemoeit met de gang van zaken, andere organisaties, het parlement, maar ook de media. Allemaal met hun eigen dynamiek. Dat bepaalt voortdurend het dagelijks leven van ambtenaren, met name dat van topambtenaren. Het gaat mij om dat proces, dat heb ik willen beschrijven.’

In uw roman hollen de minister en zijn topambtenaren van incident naar incident.

‘Wat me zelf heeft gefrappeerd in mijn ministertijd, is de ongerichtheid van de werkwijze. Ik heb willen beschrijven hoe sommige mensen voortdurend bezig zijn het eigen vege lijf te redden, omdat ze in de verdediging zitten, in een afrekencultuur. Je moet mensen op hun fouten kunnen wijzen, maar moet een fout altijd leiden tot ontslag? Dan krijg je die afrekencultuur. De invloed daarvan op de mensen en de organisatie is groot. Iedereen is druk bezig, niet zozeer om de zaak op te lossen, maar om te zorgen dat je geen fouten maakt, dat er geen verkeerde stukken in de krant komen.

‘Het gaat zelden over de inhoud, maar over de gevolgen voor de organisatie, voor jezelf, dat heb ik willen laten zien. Als er iets gebeurt – in deze roman is het een ramp met een chloortrein – ontstaat er een zekere mate van machteloosheid. Er moet snel onderzoek komen, de Kamer is boos, de minister zegt tegen zijn ambtenaren: doe iets.

‘Je ziet het nu met de publicaties over mishandelingen door Nederlandse mariniers in Irak. De Kamer zegt niet: minister, vertel eens, wat is daar precies gebeurd, maar wat valt de minister te verwijten, waar heeft hij gefaald? Ik vind het boeiend wat zich in zo’n biotoop afspeelt. Het is sociologisch interessant. Wat bezielt zo’n groep?

‘Als minister was ik ook iemand die af en toe een stapje terugdeed om te kunnen zien wat er om me heen gebeurde. Ik heb soms de neiging toeschouwer te zijn, ook al ben ik zelf het middelpunt. Dit boek is een inkijkje. Het verhaal dat ik vertel is helemaal gefantaseerd, maar daarom is het nog geen onzin.’

De hoofdpersoon is niet de minister, maar een directeur-generaal die zich gedraagt als een minister en voortdurend politieke spelletjes speelt om er zelf beter van te worden.

‘Het is spannend je een andere persoon aan te meten. Ik heb geprobeerd me te verplaatsen in die hoofdpersoon en ik maak gebruik van alles wat ik heb gezien en gehoord. Natuurlijk hoor je veel verhalen, ook over andere ministers. Op een departement kijkt iedereen altijd naar de minister.

‘Veel mensen gaan die minister imiteren, diens manier van doen, diens gedrag, dat gaan ze nabootsen, soms onwillekeurig. Ze krijgen dezelfde manier van kijken naar wat er gebeurt, ze gaan namens hem denken. Tegelijkertijd is bij sommige ambtenaren die drijfveer heel sterk aanwezig er zelf beter van te worden en staat loyaliteit op de tweede plaats. Laat er geen misverstand over bestaan, bij de overheid werken heel veel gepassioneerde mensen. Maar ik heb ook veel cynische mensen ontmoet, misschien word je dat ook wel na de 150ste schriftelijke vraag van een parlementslid. Die houding heeft me aangegrepen, net zoals het katten op elkaar onderling, de minachting voor het parlement, voor het politieke proces, voor politici of voor de media.

‘De hoofdpersoon is zo’n cynische man, een vervelende kerel die aan z’n moeder hangt, een beetje het hybride type. Iemand die geen hart meer heeft voor het werk. Als er op het einde klappen dreigen te vallen, gaat hij naar de minister met het doel diens beslissing te beïnvloeden. Zoals hij het doet, werkt het niet, uiteindelijk wordt hij ook ontmaskerd. Ik denk niet dat het gewoon is, zoals hij is, maar het gedoe er omheen is dat. Er zijn voortdurend incidenten, wat gebeurt er, wat staat er in de krant, wat moeten we nu?’

U heeft van de minister een zwakke figuur gemaakt. In hoeverre spelen autobiografische elementen een rol?

‘Natuurlijk zitten er autobiografische elementen in, die vind je door het hele boek heen. Maar deze minister staat vrij ver af van de mensen om hem heen. De ambtenaren in dit boek vinden hem geen goede minister. Nou ja, dan duurt het vier jaar, dan ben je er weer van af, that’s it. Zo redeneren ze. Nee, ik geloof niet dat ik zelf zo bekeken werd, hoewel mijn ambtenaren mij op het laatst ook liever kwijt dan rijk waren.

‘De minister in mijn roman wordt gezien als iemand die een beetje naïef in de wereld staat, die sommige dingen gewoon niet begrijpt, afwachtend is, wel druk bezig maar niet in staat een deuk in een pakje boter te slaan. Ik zou het heel erg vinden om zo te zijn, zo gezien te worden, dat afwachtende, dat jezelf verbazen over wat er in de wereld gebeurt. Deze minister is een beetje een sukkel. Nee, ik heb daar niet mezelf in gelegd. Het klopt, met mij was er ook altijd wat, maar het ging toch steeds over belangrijke zaken.’

Een eenzaam bestaan, dat van minister.

‘Eenzaam en ook weer niet. Er zitten mensen om je heen die je steunen en beschermen. Je wordt niet altijd gepamperd, maar in slechte tijden is het heel belangrijk mensen om je heen te hebben die weten dat het niet goed gaat. Ik denk nog wel eens terug aan zo iemand als Frida van de catering, die even je hand op je schouder legt als er moeilijkheden waren. Zo lief.

‘Mensen leven met je mee, dat gevoel had ik wel, tot op het laatst toe. Het is prettig, dat mag je accepteren. Een ambtenaar vindt het akelig als het niet goed gaat met de minister, dat straalt af op het departement, dus ook op hem. Natuurlijk, het is moeilijk te weten of mensen je niet naar de mond praten. Je weet dat er slijmerds zijn, die ken je. Je kent ook de mensen die dat in elk geval niet zijn, daartussen zit een hele grote groep.’

In uw roman is sprake van een ministerie van Veiligheid, dat na de ramp met de chloortrein snel werd opgericht. Ook nu wordt gesproken over zo’n samengaan van politie en justitie in één ministerie.

‘Er moet altijd iets gebeuren, voordat dit soort grote beslissingen worden genomen. Een ramp, of een aanslag. Zou zoiets nu gebeuren, dan heb je kans dat er bij de formatie van het nieuwe kabinet wordt besloten tot de oprichting van een ministerie voor Veiligheid. Op andere momenten krijg je dit soort reorganisaties niet voor elkaar. Ik heb de aartsrivalen van nu in mijn roman laten samengaan. Het betekent niet dat ik daarvan een pleitbezorger ben. Integendeel.

‘Het duurt heel lang voordat een reorganisatie werkelijk zijn beslag heeft gekregen. Je ziet dat de oude tegenstellingen dan toch blijven bestaan. Ik geloof niet dat het veel zal uitmaken. Het scheelt misschien een verantwoordelijke minister, maar dat is het dan, de diensten functioneren zoals ze functioneren. Op papier is het mooi, de praktijk blijft hetzelfde. In mijn tijd was er een heftige strijd tussen het departement en het Openbaar Ministerie, mede als gevolg van reorganisaties. Dat geeft onrust, gedoe. Als het is geregeld, schikt iedereen zich. Maar je kunt als minister ook zonder dat soort reorganisaties invloed hebben op de samenwerking tussen verschillende departementen.

‘Hans Dijkstal was destijds minister van Binnenlandse Zaken. We hebben tevoren afgesproken niet meer voortdurend de strijd met elkaar op te zoeken en die vreedzame houding uit te dragen. Dat heeft gewerkt. De verhouding tussen de twee departementen werd daardoor veel beter dan in voorgaande jaren.’

U lag in de clinch met Arthur Doctors van Leeuwen, toen voorzitter van het college van procureurs-generaal, dat ten slotte resulteerde in het ontslag van Doctors van Leeuwen. Heeft u hem daar nooit om vervloekt?

‘Vervloekt wel eens, maar ik heb nooit een hekel aan Doctors gehad, toen niet en later ook niet. Ik kijk met een zekere sympathie op hem terug.’

Van deze affaire is een tv-serie gemaakt. U schrijft nu een roman over de interne verhoudingen op een departement. Wanneer komen uw eigen memoires?

‘Misschien als ik 65 ben dat ik dan over mezelf ga schrijven. Ik wilde dit boek graag schrijven om die wereld te laten zien. Als ik het nu niet had gedaan, zou ik het nooit meer hebben gedaan. Ik schrijf graag, ik heb altijd non-fictie geschreven. Over mijn eigen periode als minister heb ik heel veel materiaal, dus misschien komt het er nog een keer van.

‘Ik had een kamerbewaarder die van al zijn ministers alle krantenartikelen uitknipte en inplakte. De man is nu met pensioen, maar het was heel bijzonder. Ik wist niet dat hij dat deed. Bij mij thuis op zolder staat nu een hele rij ordners met allemaal artikelen over die periode. Het was zijn afscheidscadeau.’

U zat namens D66 in de regering. Verlangt u weleens terug naar de politiek?

‘Nee. Het is fantastisch dat ik die vier jaar als minister heb meegemaakt, maar ik zou het niet nog eens willen doen. Wat mij vooral is bijgebleven, is de enorme concentratie die je moet opbrengen op alle onderdelen waarop je bezig bent.

Het is een geweldige intellectuele uitdaging al die dossiers die zo verschillend zijn op zoveel verschillende manieren te behartigen. Fascinerend, maar niet verslavend, althans niet voor mij. Je zit in een ontzettend klein kringetje dat afgesloten lijkt van de buitenwereld. Je moet hard werken en er blijft heel weinig ruimte over iets anders te doen.’

Meer over