'Wie is er nu weer dood', riep mijn grootmoeder vrolijk

Zes auteurs vertellen om de beurt over de dilemma's van hun generatie. Helga Ruebsamen (1934), Ger Thijs (1948), Rob Vreeken (1953), Philippe Remarque (1966), Rachida Azough (1975) en Anna Woltz (1981)....

Helga Ruebsamen

Mijn grootmoeder las de krant achterstevoren; in plaats van met het nieuws op de voorkant, begon zij meteen aan de achterpagina, waarop zich de overlijdensadvertenties bevonden. Zodra het avondblad op de mat was gevallen snelde ze er heen, onder het roepen van: 'Wie is er nu weer dood?' De uitroep klonk ongepast vrolijk, volgens haar dochters.

Mijn grootmoeder zette zich aan tafel, de krant uitgevouwen en plat voor zich neergelegd, een flesje wijn erbij alsof het feest was. Vervolgens liet ze de overledenen stuk voor stuk de revue passeren, door ze hardop bij name te noemen, of ze ze nu kende of niet. Ze deed ze daarna uitgeleide met commentaar waar niemand om vroeg en dat volgens mijn moeder en mijn tante nergens op sloeg. Zij, de nakomertjes die nog thuis waren, moesten aanhoren hoe er kreten van tafel kwamen als: 'Zo zo, jij bent er al vroeg bij, meisjelief, 23 pas en toch onverwacht verscheiden. Was dat wel zuivere koffie?' gevolgd door een bijna verontwaardigd: '94!! en dat noemt men dan plotseling' of: '87, toch ook niet in de wieg gesmoord, maar wel onverwacht heen gegaan, dat is boffen!'

Oma deed telkens pogingen haar geërgerde publiekje in de voorstelling te betrekken met vragen als: 'zeg, vinden jullie dit niet verdacht, deze lieden waren meer dan 40 jaar getrouwd en er kan geen lief woord vanaf bij de weduwe, bloemen hoeven er niet heen, is die even blij dat ze van hem af is, wedden?' De dochters zwegen koel en gingen de hond uitlaten. Ze hingen buiten rond, zolang ze konden.

Bij hun terugkeer was de lamp boven de tafel aangestoken en de fles flink aangesproken, hetgeen ook te merken was aan het feit dat oma de doden inmiddels allemaal persoonlijk meende te kennen of althans had kunnen kennen. Ja, vaak scheelde het nog geen haar of er waren bijna-familieleden te betreuren, zeer verre verwanten weliswaar en aangetrouwd, via via en bovendien gebrouilleerd, maar toch.

Mijn moeder en mijn tante beschreven, tot in hun late jaren, met afgrijzen en verwondering, deze wat ze noemden 'morbide hobby'. Ze hadden nooit begrepen wat oma dreef. Als ze het haar vroegen kregen ze een onbegrijpelijk antwoord: 'Het geeft me rust, troost en gezelligheid.'

Tot hun laatste snik weigerden ze kennis te nemen van rouwannonces en kaarten die niet kwamen uit de eigen vertrouwde kring. Mijn moeder heb ik een keer betrapt. Ze zat op een krukje en versnipperde kranten voor in de kattenbak en haar blik was, bijna verlangend, blijven hangen aan een zwart-omrande advertentie. Maar ze zou nooit toegeven dat zij een oogje aan een onbekende dode had gewaagd en zodra ze mij opmerkte, scheurde ze snel verder. De advertentie ging eraan, in ragfijne flinters. Waarschijnlijk was ze nog te jong om ten volle te genieten van de delicate belevenis die het lezen van een rouwadvertentie is. Hoe vaker je het doet, hoe meer je het leert waarderen, als met oesters, artisjokken en sterke drank.

Ongetwijfeld ben ik erfelijk belast, want ik had al vroeg een onbedwingbare belangstelling voor overlijdensadvertenties van mensen die ik nooit zag. Toch zou ik het bijna een halve eeuw doen, voordat ik begreep wat mijn oma bedoelde met rust, troost en gezelligheid. Rond mijn twintigste las ik de advertenties al, maar met hautaine afstandelijkheid, omdat ik er toen geenszins van overtuigd was dat ik zelf ook dood zou gaan. Pas na mijn zestigste begon het zogenaamde gezonde verstand mij beetje bij beetje te indoctrineren, maar ferm hielden en houden nog steeds de eigengereide instincten stand.

Nog steeds ben ik niet voor de volle honderd procent van eigen sterflijkheid overtuigd. Sterven is voor andere mensen, voor ouden en zieken, voor ongeluksvogels. Nog steeds houd ik Elias Canetti hoog, die met Schwung staande hield dat hij Onsterflijk was. Dat hij dit niet enkele eeuwen langer heeft volgehouden, is slechts een schoonheidsfoutje dat nauwelijks tornt aan de grootsheid van de Gedachte. Niettemin, hier zit ik, onder de leeslamp, als mijn grootmoeder rouwadvertenties te lezen, altijd vol interesse en medeleven. En rust daalt neer en troost dient zich aan en ook gezelligheid komt naderbij, al was het maar door de zekerheid dat we straks niet de enige zijn, niet de eerste en lang niet de laatste.

Meer over