WEZENLOOS GEKRAAI

K RITIEK uit eigen kring? VVD-leider Bolkestein was zich, als we Trouw mogen geloven, in het weekeinde van geen ongerustheid bewust....

Toch ging er vrijdag even een huivering door de partij. Geen minister van Onderwijs, of van Justitie, of van Buitenlandse of Economische zaken voor de liberalen, zo leek het. Maar wel Landbouw, waarmee je alleen maar ontevreden boeren naar de christen-democraten jaagt.

En Defensie, waar met weer nieuwe bezuinigingen weinig eer te behalen valt. En tot overmaat van ramp: Ontwikkelingssamenwerking, een links stokpaardje dat volgens de VVD hoogstens door een staatssecretaris bereden zou mogen worden.

In de PvdA waren de meningen verdeeld over de mogelijkheid van een liberale opvolger van Jan Pronk. De 'Pronkianen' vonden dat alleen een sociaal-democraat zijn erfenis kon beheren. Anderen vonden een VVD'er op die post juist wel een goed idee: 'Als zij de verantwoordelijkheid krijgen, zullen ze ophouden met hun wezenloze gekraai. Zij zullen dan beleid moeten maken in plaats van alleen maar kritiek geven, zei een - vanzelfsprekend anoniem - PvdA-Kamerlid tegen NRC Handelsblad.

Nu heeft de VVD het gevoerde ontwikkelingsbeleid steeds in grote lijnen gesteund. Het verwijt van wezenloos gekraai zou alleen betrekking kunnen hebben op de scepsis van Bolkestein, die in debatten met Pronk een aantal fundamentele vragen opwierp over het effect van ontwikkelingshulp, vragen waarop een bevredigend antwoord van de uitgedaagde overigens uitbleef.

Maar misschien is het uiteindelijk toch maar goed dat over het forse (en door de economische groei stijgende) bedrag dat Nederland jaarlijks uittrekt ter ondersteuning van slecht presterende landen, niet door een VVD'er gewaakt gaat worden. Een liberale minister voor Ontwikkelingssamenwerking krijgt namelijk te maken met enorme vooroordelen en weerstanden in 'het veld' en in de media, zo heeft de vrouw ervaren die van 1982 tot 1986 de verantwoordelijkheid moest dragen voor de bijstand aan de Derde Wereld. Er is nooit een minister voor Ontwikkelingssamenwerking geweest die zoveel kritiek heeft geoogst bij de derde-wereldbeweging en opiniemakers als Eegje Schoo, constateert Paul Hoebink in zijn proefschrift Geven is nemen.

Een nuchtere analyse leert evenwel dat haar plannen en de beleidswijzigingen die ze heeft doorgevoerd helemaal niet zo revolutionair waren. Zo bouwde ze in het internationale structuurbeleid en de multilaterale hulpverlening voort op het werk van haar voorgangers.

Schoo probeerde wel een beter overlegklimaat met het bedrijfsleven te scheppen, maar van een 'een uitverkoop van het bedrijfsleven' waarover de Novib zich opwond, was geen sprake. Het aandeel van het bedrijfsleven in de bilaterale hulp (via uitvoer en investeringen) steeg nauwelijks. Het terugvloeipercentage, dat aangeeft hoeveel van de Nederlandse hulp naar het bedrijfsleven terugkomt, nam zelfs af.

Hoewel in de media het beeld werd gecreëerd dat de minister steeds werd afgetroefd door Ruding, haar collega op Financiën, betekende haar bewind geen financiële aderlating voor Ontwikkelingssamenwerking. Het rare 'stuwmeer' met financiële toezeggingen die nog niet tot uitgaven hadden geleid, werd ingeleverd, maar deze drooglegging werd gecompenseerd met extra gelden.

Wat deed Schoo nog meer? Ze verhoogde de Nederlandse bijdrage aan het bevolkingsfonds van de Verenigde Naties. Ze droeg projecten en programma's over aan particulieren buiten het ministerie. Ze beperkte de autonomie van de NCO, een toentertijd zeer linkse 'bewustwordingsorganisatie'. En ze zette de positie van de vrouw op de agenda. Niet echt daden om je voor te schamen.

In zijn bestseller Deining aan zee schreef Jan Tromp dat Eegje Schoo er geen geheim van maakte wat zij als haar taak zag: erop toezien dat de miljarden aan hulpgelden eerlijk verdeeld werden over het bedrijfsleven. Jammer voor de geloofwaardigheid van de auteur was dat hij beweerde dat Schoo van 1977 tot 1981 bewindsvrouwe was (een van mijn favoriete voorbeelden van journalistieke onzorgvuldigheid), maar ook verder heeft zijn voorstelling van zaken weinig met de werkelijkheid te maken.

De woorden en daden van de - alom gewaardeerde - minister De Koning en van zijn - fel gekritiseerde - opvolger verschilden slechts marginaal. Dat de twee ministers zo uiteenlopend werden beoordeeld, wijst dan ook op vooroordelen jegens liberale politici.

Niet alleen, zo blijkt steeds weer, het beleid van ministers telt, ook hun imago. En dit imago wordt in sterke mate bepaald door journalisten die vaak de tijd (en de zin) missen zich te verdiepen in ingewikkelde beleidskwesties, elkaar graag napraten en politiek eenzijdig georiënteerd zijn.

Meer over