Wetgeving helpt niet in IRT-zaak

Het parlement moet, aldus PvdA-voorman Wallage, snel maatregelen nemen om het justitiële apparaat in het gareel te krijgen. Herman Wigbold heeft weinig fiducie in een nieuw rondje turbo-wetgeving....

PVDA-fractieleider Wallage heeft met veel bravoure aangekondigd dat het parlement snel ingrijpende maatregelen zal nemen zodra de parlementaire enquêtecommissie het werk heeft beëindigd en rapport heeft uitgebracht. Zou hij niet beseffen hoe beperkt de mogelijkheden van het parlement zijn?

Het onderzoek heeft twee zaken duidelijk gemaakt. In de eerste plaats dat de politie, althans delen daarvan, grote partijen drugs, ook hard drugs, op de Nederlandse markt heeft doorgelaten uit een vreemd soort beroepsblindheid om te kunnen scoren. En: normale gezags- en organisatieverhoudingen zijn in het justitiële apparaat volledig zoek, zowel van politie naar officieren van justitie, van officieren naar hoofdofficieren, van hoofdofficieren naar procureurs-generaal en van procureurs-generaal naar de minister.

Wat kan het parlement eraan doen? Wat het eerste betreft: het kan uitspreken dat er op veel te grote schaal drugs zijn doorgelaten, een gratuite bewering want daar is iedereen inmiddels van overtuigd. Het kan ook wettelijk vastleggen dat die methode onder alle omstandigheden verwerpelijk is. Dus ook als het om een geringe partij gaat en de kans groot is dat men daarmee de topmannen kan pakken en de methode op het hoogste niveau is besproken? In ieder geval zou dit standpunt het parlement opnieuw in conflict brengen met minister Sorgdrager die deze methode op de laatste dag van de verhoren uitdrukkelijk heeft gebillijkt.

Wat het tweede punt betreft: het parlement kan de ministers Sorgdrager en Dijkstal vragen normale gezagsverhoudingen in het justitiële apparaat te herstellen. Maar de overheid hoeft toch niet met regelgeving, laat staan wetten, te regelen wat in een multinational van dertigduizend mensen vanzelfsprekend is? Daar weet iedereen waar hij aan toe is: wat zijn bevoegdheden zijn, met wie hij overleg moet plegen en waarvoor hij toestemming moet vragen. Het tekent de verloedering van de overheid dat zelfs in een sterk hiërarchisch opgebouwd apparaat als justitie zo met bevoegdheden en verantwoordelijkheden wordt gesold.

Hoezeer de verwording heeft toegeslagen, is nog eens gebleken toen de eerst verantwoordelijken voor het 'koningsduo' Langendoen en Van Vondel, de burgemeester, de korpschef en de hoofdofficier in Haarlem, hun vertrouwen in het duo uitspraken zolang niet is bewezen dat zij fout hebben gehandeld. Alsof het om een strafrechtelijke zaak zou gaan!

Voor een onderzoek is overigens alle reden nu gebleken is dat de heer Langendoen zijn zuster aan een baan hielp bij de Belgische limonadefabrikant annex infiltrant die de CID-chef zelf als een halve crimineel betitelde en de heren hem een zwijggeld van een half miljoen betaalden om te voorkomen dat hij de commissie te veel wegwijs zou maken.

Maar voorlopig gaat het niet om strafbare feiten maar om competentie. En niemand die kennis heeft genomen van hun strapatsen, zal toch kunnen ontkennen dat zij ongeschikt zijn om leiding te geven aan ingewikkelde opsporingsacties. Niettemin blijft Langendoen gewoon in functie.

Het parlement zal evenwel geen schoon schip kunnen maken. Dat is de taak van de werkgever, in casu de ministers. Zij zullen daarbij onmiddellijk op hetzelfde krankzinnige ambtenarenreglement stuiten dat Van Randwijck een fors bedrag opleverde. Ook Langendoen is nog nooit over zijn optreden onderhouden, laat staan dat hij ooit een officiële waarschuwing heeft gekregen. Iedereen die wel eens kennis neemt van de uitspraken van de ambtenarenrechter, weet dat het in Nederland nauwelijks mogelijk is een ambtenaar wegens incompetentie te ontslaan.

De beste bijdrage die het parlement kan leveren aan het herstel van normale verhoudingen is de ministers te vragen met spoed het ambtenarenreglement te wijzigen, maar ik betwijfel of het parlement dit aandurft. Het zou daarmee direct in conflict komen met een machtige organisatie als de AbvaKabo. Bovendien is een groot aantal parlementariërs afkomstig uit ambtelijke kring waarheen zij willen terugkeren als hun partij hen de volgende keer geen kandidaat stelt dan wel zetels verliest.

Het parlement zou er ook goed aan doen de suggestie te volgen van oud-hoofdcommissaris Blaauw, een geharnast tegenstander van infiltraties, niet alleen nu maar al tien jaar geleden. Hij pleit ervoor de omgekeerde bewijslast in te voeren voor drugshandelaren en andere criminelen (want ongewild heeft de enquêtecommissie de indruk versterkt dat de zware criminaliteit uitsluitend bestaat uit drugscriminelen; zaken als milieucriminaliteit, fraude, handel in vrouwen en kinderporno zijn volledig buiten beschouwing gebleven). Criminelen die over grote hoeveelheden geld beschikken, zouden dan moeten aantonen hoe ze eraan gekomen zijn. Als de omgekeerde bewijslast al in de sociale verzekering bestaat, is er geen reden schande te roepen als hetzelfde voor criminelen geldt. Nog afgezien van het feit dat iemand die een hypotheek wil afsluiten geheel met de billen bloot moet. Is er misschien een verband tussen het doorlaten van drugs en het ontbreken van andere opsporingsmethoden?

EN verder? Een van de merkwaardigste zaken van het onderzoek is dat al die verkeerde opsporingsmethoden waar de Boones en Doedensen zich zo druk over maakten: verkeerde processen-verbaal, inkijkoperaties, dekmantelfirma's et cetera, niet aan de orde zijn gekomen. Hetzelfde geldt voor de kwalijke gevolgen van politie-infiltranten. Alle infiltranten waar het bij de enquêtecommissie over ging, waren hele of halve criminelen die voor de politie zijn gaan werken dan wel de politie runden.

Op grond van de verhoren van de enquêtecommissie kan dan ook niet worden gesteld dat er wetgeving nodig is. Het is ook de vraag of dat een oplossing is. Het zou niet de eerste keer zijn dat het parlement wetgeving aanvaardt die in de praktijk niet uitvoerbaar is.

Neem het voorbeeld van inkijkoperaties. Niet één onderzoek is gelijk aan het andere en is daarom in wetgeving niet te vangen. Het is zelfs de vraag of het mogelijk is een onderscheid te maken tussen de zogenaamde inactieve en actieve fase. In de praktijk gaan die soms vloeiend in elkaar over waarbij de fases in ieder onderzoek weer verschillend zijn.

Juist degenen die kritiek hebben op de 'turbo-wetgeving' van Hirsch Ballin, zouden zich moeten hoeden voor turbo-wetgeving over opsporingsmethoden. En het zou toch op zijn minst merkwaardig zijn dat, terwijl iedereen roept om deregulering en minder regels, we juist op dit gebied weer gedetailleerde regels en zelfs nieuwe wetten zouden gaan uitvaardigen.

Democratie is niet alleen een kwestie van wetgeving maar ook van gecontroleerd vertrouwen. Dat vertrouwen is in hoge mate beschaamd. Maar dat is nog geen reden wetgeving in de plaats te stellen van gezonde gezagsverhoudingen waarbij de een de ander controleert.

Herman Wigbold is publicist.

Meer over