Westen kijkt toe hoe Balkan zich in nieuwe oorlog stort

Het conflict in Kosovo escaleert snel. Als de internationale gemeenschap niet wil ingrijpen, dient zij tenminste bereid te zijn de mensen op te vangen die het oorlogsgeweld ontvluchten, meent Mient Jan Faber....

DE HULPELOOSHEID van de internationale gemeenschap als het gaat om het beëindigen van de oorlog in Kosovo, is angstaanjagend. Met name voor de vele slachtoffers van die oorlog.

Zeker, de geschiedenisboekjes over het optreden in Bosnië zijn tevoorschijn gehaald en grondig bestudeerd. Want, zo riep de ene na de andere politicus om het hardst, we hebben onze les in Bosnië geleerd. In Kosovo zullen we niet dezelfde fouten maken. Er moet snel en krachtdadig worden opgetreden. En dus sprak men krijgshaftig over luchtaanvallen en militaire operaties op de grond.

Het Dayton-akkoord voor Bosnië werd van stal gehaald en er werd voorgesteld een soortgelijke bijeenkomst over Kosovo te beleggen. Aangezien in het Dayton-akkoord een gedetailleerde beschrijving stond van de naoorlogse staatsstructuur voor Bosnië, werd er ook een gedetailleerde schets gemaakt voor een autonome status van Kosovo binnen de Joegoslavische Federatie. Kortom, verbaal en op papier is er heel wat werk verzet. Alleen, in de praktijk gebeurde er niets.

De president van Kosovo, Rugova, heeft toen het conflict uit de hand begon te lopen, in februari van dit jaar, geroepen om interventie van de internationale gemeenschap.

De enige interventie die plaatsvond, was de komst van de Amerikaanse bemiddelaar Holbrooke die Rugova dwong Milosevic de hand te schudden, waardoor diens gezag bij de Albanese bevolking met sprongen terugliep en de steun voor het bevrijdingsleger, de UCK, navenant groeide.

De regering van Albanië heeft de NAVO gesmeekt de grens met Joegoslavië te gaan bewaken, maar de NAVO vond dat te riskant. Ondertussen wordt Albanië steeds verder de oorlog in gezogen. De Albanese regering en de media spreken nu over Kosovo alsof het een provincie van Albanië is die door een buitenlandse macht wordt aangevallen.

Het noorden van Albanië is de uitvalsbasis van de UCK geworden en de Albanese autoriteiten lijken hen geen strobreed meer in de weg te (kunnen) leggen. Macedonië heeft geroepen dat de stabiliteit in het land ernstig zal worden ondermijnd als de oorlog zich uitbreidt en steeds meer Albanese vluchtelingen en vrijheidsstrijders de grens oversteken. De VN-vredesmacht in Macedonië wordt nu met 350 man versterkt, maar wie gelooft dat dit genoeg is om de roerige Albanese bevolking in Macedonië in het gareel te houden, strooit zichzelf zand in de ogen.

Montenegro, dat aanvankelijk sympathiseerde met Rugova, is inmiddels veel behoedzamer geworden nu de UCK heeft laten weten dat het alle Albanezen uit Kosovo, Macedonië en Montenegro in één staat wil samenvoegen.

Diezelfde UCK heeft zich fel gekeerd tegen Rugova en diens poging om het gekozen Albanese parlement van Kosovo te beëdigen. Voor de Albanese tv werd een verklaring van de UCK voorgelezen waarin de Albanezen werden opgeroepen zich van Rugova af te keren en zich onder gezag van de UCK te stellen.

Kortom, de Balkan trilt op zijn grondvesten en dreigt onder de druk van zoveel elkaar tegenwerkende krachten te bezwijken.

Genoeg reden, zou je zeggen, voor de internationale gemeenschap om zich ernstig ongerust te maken over de internationale veiligheid. Dat gebeurt dan ook. Maar om de rust te herstellen in de regio en de voorwaarden te scheppen voor een vreedzaam veranderingsproces, is alleen een massale militaire interventie van de NAVO waarschijnlijk nog toereikend. De middelen daartoe zijn voorhanden, maar helaas, de politieke moed ontbreekt ten enenmale.

Ondertussen sneuvelen de mensen bij bosjes. Iedere dag krijg ik lange lijsten van gesneuvelden toegestuurd, die ik met een gevoel van diepe schaamte trouw bij die van de vorige dag voeg. Meer dan 100.000 vluchtelingen zijn al geregistreerd. Hoeveel meer zullen het er in werkelijkheid zijn? Van massale hulpverlening is overigens geen sprake. Daar is de regio te ontoegankelijk voor, zo wordt er gezegd.

In Bosnië waren de strijdende partijen na drie jaar uitgevochten. De UCK en het leger van Milosevic zouden het wel eens veel langer kunnen volhouden. Het zou me niet verbazen als de oorlog een obsessie wordt voor beide partijen. Want de doelstellingen zullen nooit worden gerealiseerd, door geen van beide.

De Serviërs kunnen nog duizenden Albanezen doden en tienduizenden het gebied uitdrijven, maar er zal altijd een meerderheid van Albanezen blijven. En de UCK kan vechten wat het wil, maar alleen de internationale maffia zal hen steunen.

Ze zullen wellicht in staat zijn om alle Servische burgers, toch maar een kleine minderheid, uit Kosovo weg te jagen. Maar hun Albanese staat zullen ze nooit krijgen.

De slachtoffers van de oorlog zijn ook de democratische krachten in Kosovo. Jarenlang hebben ze gezucht onder de dictatuur van Milosevic, en geprobeerd een vreedzame weg naar democratie en autonomie te bewandelen.

Tevergeefs hebben zij een beroep gedaan op de internationale gemeenschap om hen te hulp te komen. Ze worden nu letterlijk vermalen tussen de strijdende partijen.

Als ik mijn vrienden uit Kosovo aan de lijn krijg, hoor ik steeds vaker dat ze geen uitkomst meer zien. Dat ze overwegen om met hun familie weg te trekken. Maar dat ze niet weten waar naar toe. Als de internationale gemeenschap nog een tikkeltje menselijkheid bezit, zouden we tenminste onze grenzen moeten openen voor al degenen die nu verjaagd worden of nog net op tijd aan de hel hebben weten te ontkomen.

Mient Jan Faber is algemeen secretaris van het Interkerkelijk Vredesberaad (IKV).

Meer over