West Side Story stelt film in de schaduw

West Side Story, muziek Leonard Bernstein, tekst Arthur Laurents en Stephen Sondheim, regie Eddy Habbema, choreografie Jerry Mitchell. Koninklijk Theater Carré Amsterdam tot 30 september....

PATRICK VAN DEN HANENBERG

De musical is al bijna tien minuten aan de gang als het eerste woord valt: Oprotten.

De Jets, een straatbende van blanke Amerikanen, zijn niet van plan om hun stuk van de wijk te delen met de Sharks, de 'indringers' uit Puerto Rico. Ze moeten oprotten. En dat doen ze niet. Dan breekt de hel los.

Na tien minuten het eerste woord. West Side Story is in de eerste plaats beeld. Het beeld van de ijzeren brandtrappen die de New Yorkse West Side-huizenblokken de aanblik geven van een gigantische kooi waarin wilde dieren in toom worden gehouden. Het beeld van de energieke choreografie, die de liefde en tederheid, de haat en agressie vertaalt.

En het beeld van zwart-wit. Puertoricanen die niet worden toegelaten tot de blanke burcht. Maar zwart-wit staat hier niet voor slecht-goed of arm-rijk. Er is eigenlijk geen tegenstelling. Alle deelnemers aan het drama zijn even beklagenswaardig.

Het West Side-beeld wordt aangevuld met de meest opwindende muziek en tekst ooit voor een musical geschreven. Bernstein en Sondheim hebben de werelden van het Concertgebouw en de ruwe straat met elkaar verenigd.

De liedteksten van Sondheim vormen een zwaar examen voor elke vertaler. Het Koninklijk Ballet van Vlaanderen, dat in 1988 een Nederlandstalige West Side Story speelde, kwam er niet goed uit, maar ook Koen van Dijk - eveneens auteur van de musical Cyrano - heeft er in deze nieuwe productie van Joop van den Ende hoorbaar moeite mee gehad.

De dialogen van Arthur Laurents zijn alert en adequaat vertaald. Maar in de liedjes heeft Van Dijk, naast een aantal slimme rijmvondsten, regelmatig zijn toevlucht moeten nemen tot archaïsche woordjes en beeldspraken, terwijl smokkelwoordjes (bijvoorbeeld in Cool) het strakke ritme van Sondheim soms hinderlijk verstoren.

De meeste andere torenhoge hindernissen van de klassieke musical zijn in deze productie wel goed genomen. Het decor, met brandtrappen, pleinhekken en een hoge loopbrug, is dromerig mooi en realistisch. Het licht is weelderig, maar geen moment protserig.

In vele post-West Side Story musicals, tot aan de videoclips van Michael Jackson, is de invloed merkbaar van choreograaf Jerome Robbins, die in 1957 een ijkpunt heeft gezet. Zijn choreografie was net zo lyrisch en agressief als muziek en tekst. Voor de nieuwe versie heeft Jerry Mitchell de originele choreografie, waarin klassieke zweefsprongen fraai contrasteren met wilde, hoekige patronen, nog eens extra aangescherpt en opgefrist.

De Sharks en Jets lijken met de versnellingen en acrobatiek niet de minste moeite te hebben. De zang en vooral het acteren lopen echter niet altijd even gesmeerd. De zinnen rollen ondanks kwade grimassen vaak veel te lief uit de mond. De wederzijdse etnische haat wordt daardoor onbedoeld onderuit gehaald.

Ook Addo Kruizinga als Tony, die een tot mislukken gedoemde liefdesverhouding heeft met Maria, is te veel het netste jongetje van de klas. We kennen Tony - met zijn keurige baantje in de buurtwinkel - uit de film van Richard Beymer als een watje, maar je hoeft het niet te overdrijven.

Drie spelers combineren alle facetten van het musicalvak feilloos: Perry Dossett als Shark-leider Bernardo, Hilde Norga als zijn liefje Anita en vooral Maaike Widdershoven als Maria. De innemende naïviteit van de verse immigrante maakt subtiel plaats voor een zelfverzekerde vrouw die boven alle platte strijd staat. Haar warme, heldere mezzo-sopraan steekt nog boven haar acteerprestatie uit. Zij kan zich meten met alle groten die deze rol hebben gespeeld.

De uitvoering van het Koninklijk Ballet van Vlaanderen kon niet opboksen tegen de filmherinnering. De versie die het komende seizoen door Nederland reist, doet die herinnering eindelijk vervagen.

Patrick van den Hanenberg

Meer over