Werknemer vooral op papier minder ziek

De nieuwe aanpak van het ziekteverzuim lijkt succesvol, afgaande op recente cijfers. Schijn bedriegt, zeggen J.J. Pool en L.J. Beckers....

IS HET denkbaar dat de ingenieurs die de nieuwe brug bij Vianen aanleggen een verschillende invulling geven aan basale begrippen als draagvermogen of lengte? Nee, want Zuidkoreaanse taferelen zouden onvermijdelijk het gevolg zijn. Wat in goed ontwikkelde technologieën vanzelfsprekend is, is dat in de sociale 'engineering' allerminst. De pogingen om via nieuwe wetgeving iets te doen aan 'het veel te hoge ziekteverzuim' worden gefrustreerd door een sterk gebrek aan uniformiteit in definities en de toepassing van rekenregels rond het kernbegrip ziekteverzuim.

Dat is niet iets van vandaag of gisteren. Het is al jarenlang praktijk dat instellingen als TNO, NIA, het GAK en tegenwoordig ook het College van toezicht op de sociale verzekeringen (Ctsv) persberichten uitgeven waarin zij verzuimcijfers melden die opmerkelijk van elkaar verschillen, allemaal met de pretentie een uitspraak te doen over 'Nederland'.

Na de invoering van de nieuwe wet die het ziekteverzuim moet terugdringen (TZ/Arbowet) doet dit ritueel zich in verhevigde mate voor. Afgelopen donderdag nog meldde het ministerie van Sociale Zaken dat het verzuim in 1994 is gedaald van 6,8 naar 5,7 procent. Bron: een telefonische enquête bij 2300 bedrijven.

In maart verscheen in alle kranten het door het Ctsv uitgezonden bericht 'dat het ziekteverzuim was gedaald van 4,6 naar 4,0 procent.' Dit is een vermindering met 13 procent. De bron van dit nieuws? Opnieuw een telefonische enquête onder duizend bedrijven, waarbij werd gevraagd wat het verzuim was in 1993 en 1994.

Dit soort enquêtes zijn een wel heel ongebruikelijke bron van informatie en verre van betrouwbaar. De daaraan gekoppelde bewering van het Ctsv 'dat de TZ/Arbowet werkt' berust dan ook op drijfzand.

Begin juni meldde het Nederlands Instituut voor Arbeidsvraagstukken (NIA) dat het verzuim was gedaald met 18,5 procent en wel van 8,1 naar 6,6 procent. De bron van dit nieuws was een door het NIA verricht onderzoek naar het verzuimverloop sinds de invoering van de nieuwe wet. De resultaten zijn recent gepubliceerd in het rapport Hoe ziek is Nederland na TZ/Arbo?

Reden voor het onderzoek was de vaststelling dat de verzuimcijfers van de bedrijfsverenigingen onvolledig zijn door onderregistratie, terwijl andere registraties slechts een kleine populatie bestrijken. Het NIA poogt beide bronnen te verenigen om zo tot een landelijk verzuimpercentage te komen, dat gecorrigeerd is voor de dalende meldingsdiscipline. Voor dit onderzoek zijn verzuimgegevens gebruikt van het GAK, de BVG en een tiental eigen-risicodragers.

De BVG (Bedrijfsvereniging voor de Gezondheid) heeft zelf ook een onderzoek naar de daling van het verzuim gedaan, waaruit bleek dat het verzuim in de zorgsector in 1994 met 8 procent is gedaald: van 7,4 naar 6,8 procent. Ongeveer de helft van deze daling kan worden toegeschreven aan de afgenomen meldingsdiscipline. Onze conclusie is derhalve dat het verzuim bij de BVG na correctie voor onderregistratie met 4 procent is gedaald.

Het verschil met het NIA-onderzoek (18,5 procent) is dermate groot dat wij besloten tot een nadere analyse. Daaruit bleek dat het NIA in zijn rapport twee ernstige fouten maakt: de gevolgen van onderregistratie voor het verzuimpercentage worden veel te hoog ingeschat en het geregistreerde ziekteverzuim wordt in de verkeerde richting gecorrigeerd. Bij onderregistratie is het werkelijke verzuim niet lager, zoals het NIA beweert, maar juist hoger.

Hoewel het NIA het niet zo bont maakt als de Ctsv en het ministerie blijft het gebruik van secundaire bronnen een riskante aangelegenheid. Als er niets beters voorhanden is, moet je het er wel mee doen, maar dan moet er natuurlijk wel correct worden gerekend. Onze conclusie voor de zorgsector is in ieder geval dat de daling van het totale ziekteverzuim in 1994 tamelijk gering is geweest, namelijk 4 procent.

Over de invloed van TZ/Arbo-wet daarbij valt op dit moment niets stelligs te melden. Wel vragen wij ons af of je - gegeven de moeilijke veranderbaarheid van 'verzuimgedrag' - in alle redelijkheid op zo'n relatief korte termijn een effect mag verwachten.

Rest de vraag of de hardnekkige cijfermist rond het ziekteverzuim erg is. Dat hangt af van het belang dat men hecht aan een correct inzicht in het volledige ziekteverzuim, danwel het verzuim waarvoor werkgevers of verzekeraars een uitkering betalen. Kortom, zet men de welzijnsbril of de verzekeraarsbril op. Het laatste is het eenvoudigst, want waar het over geld gaat is de administratie doorgaans op orde.

Bezien door de welzijnsbril is alle verzuim van belang, dus ook het verzuim zonder geldelijk gevolg. Dat stelt hogere eisen aan consensus en administratie. Het begrip 'onderregistratie' is alleen voor welzijnsdenkers van belang, niet voor de verzekeraars want schade die niet wordt aangegeven, is er gewoon niet. Zo speelt het teruglopende meldgedrag van de werkgevers mooi in op de behoefte minder verzuim op papier te zien.

Bekeken vanuit de recente ontwikkelingen verlopen de zaken overigens nogal voorspelbaar. Bij de voorbereiding van de TZ/Arbo-wet is er bij de wetgever langs vele wegen op gewezen dat de verzuimstatistiek te kort schiet. Aanvankelijk werd daarom een verzuimregistratieplicht voor werkgevers in het wetsontwerp opgenomen. Dat was in lijn met de gedachte dat de verantwoordelijkheden verlegd moesten worden naar de werkgever.

Die passage is echter op de valreep verwijderd, omdat zo'n voorschrift inhield dat de overheid dan ook het hoe van de verzuimregistratie moest aangeven. Daar wilde men de vingers liever niet aan branden. Bovendien zaten de werkgevers niet te wachten op de zoveelste administratieve verplichting.

Hoe dan ook, in zekere zin heeft men met open ogen voor de huidige toestand gekozen. Er zijn ook voordelen, want in situaties van onduidelijkheid ontstaat interpretatieruimte. Het is net als met de fietsendiefstallen in Amsterdam: als er minder aangiften worden gedaan, kan de politie beweren dat er minder fietsen worden gestolen. Er ligt niemand wakker van, maar Amsterdammers weten dat het regelen van een nieuwe fiets minder erg is dan de aangifterituelen op het wijkbureau. Met het ziekteverzuim werkt het net zo.

NIETTEMIN begint men het ontbreken van betrouwbare verzuimcijfers, als referentiekader maar ook ten behoeve van bijvoorbeeld cao-onderhandelingen, als een gemis te ervaren. Dat geldt voor werkgevers, particuliere verzekeraars, branche-organisaties en niet in de laatste plaats de overheid. Het wordt immers moeilijk om het succes van de wetgeving op dit terrein aan te tonen.

Er is dus behoefte aan een 'sociale epidemiologie' die het mogelijk maakt om de chronologische, de geografische en de bedrijfstakgewijze ontwikkelingen op de voet te volgen. Daar hoeft niet veel voor te gebeuren: uitvoeringsinstellingen als BVG en GAK zijn voldoende toegerust om betrouwbare gegevens te kunnen leveren.

Afgezien van praktische overwegingen is er ook een inhoudelijk argument om de informatievoorziening over het ziekteverzuim bij de uitvoeringsinstellingen te houden. Het ziekteverzuim blijft immers het voorportaal van de langdurige arbeidsongeschiktheid. Omdat de uitvoering van de WAO een taak blijft van de bedrijfsverenigingen, of hoe die in de toekomst ook gaan heten, is het uit preventief oogpunt van groot belang dat goed zicht blijft bestaan op het verzuim.

J.J. Pool en L.J. Beckers zijn werkzaam bij de afdeling onderzoek en statistiek van de bedrijfsvereniging voor de gezondheid (BVG) te Zeist.

Meer over