Werken waar de geest van Jany waart

Vader Roland Holst kocht de lap grond aan de Nesdijk in Bergen in 1920. Hij liet er een villaatje bouwen, in de stijl van de Amsterdamse School, voor zijn zoon....

Jany móest naar zee. Daar, achter de ruisende branding huisden zijn Keltische goden, daar kreeg hij fluisteringen door van de zielen uit het Elysium, en stond hij oog in oog met zijn Verborgene, die hem de opdracht gaf tot zijn mooiste gedichten - als de luidruchtige toeristen het contact met de Eeuwigheid tenminste niet verstoorden.

In juli 1921 - Jan van der Vegt heeft het in zijn biografie A. Roland Holst precies voor het nageslacht opgetekend - trok hij erin. Twee verdiepingen van zeseneenhalf bij acht meter - bij de huidige vierkantemeterprijzen in het stinkend dure Bergen bepaald geen nederige kunstenaarsstulp. De nieuwe, tijdelijke bewoners van het huis, dat nog altijd uitkijkt op de weilanden, met in de verte de mooiste duinen van Nederland, kunnen het nameten.

Anneke Brassinga betrok het huis een paar weken geleden, Joost Zwagerman zal er in de maand september zitten. Ook Astrid Roemer, Wanda Reisel en Manon Uphoff zullen een tijdje werken aan de van literatuur zwangere Nesdijk.

Het Bert Schierbeekfonds - waarin particuliere giften worden beheerd, en dat gelieerd is aan het Fonds voor de Letteren, huurt het huis van de Stichting A. Roland Holst, voorlopig voor twee jaar. Vorig jaar overleed Didia de Boer, een vriendin van Roland Holst, die er tot aan haar dood mocht wonen. 'Nu kun je zo'n huis natuurlijk verkopen voor een miljoen', zegt Sylvia Dornseiffer, directeur van het Fonds voor de Letteren, 'maar dan is de kans groot dat het afgebroken wordt. Aardiger is om er een bestemming aan te geven in de geest van Roland Holst.' Schrijvers kunnen het voor een relatief laag bedrag huren, de resterende huur komt uit het fonds.

De dorpsbewoners zullen niet opkijken van een schrijver meer of minder. Gedurende de hele vorige eeuw, was Bergen een bloeiend kunstenaarsdorp. Er moeten nogal wat halve-garen wonen is de titel van het mooie boek dat Willem van Toorn in 1988 schreef over Bergen.

Halve garen. Zonderlingen, zo wil het cliché, die het onkruid in hun tuintjes hoog laten opschieten, en zich dagelijks op een fiets met rammelende lege flessen naar de drankboer begeven, waar zij een flinke rekening hebben uitstaan. We hebben het hier over grote Nederlandse dichters en schilders: Charley Toorop, Lucebert, Gerrit Kouwenaar (die 's zomers vaak verbleef in De Kouw), Chris van Geel. J.C. Bloem logeerde er vaak, en Herman Gorter bracht vele zomers door in De Verbrande Pan, in afwachting van het arbeidersparadijs de tijd dodend met tennissen, zwemmen en cricketen. In deze duinen liet Gorter zijn kleine Mei ronddartelen, achternagezeten door Balder.

Ze ontmoetten elkaar vaak, de broze Jany en de oermensch Herman met zijn gebronste kop. Gorter kon zich, schrijft Van der Vegt, vrolijk maken over de Bergense dandy. 'Daar komt het Nekkie!', zou hij geroepen hebben tegen een cafébaas toen hij zijn vriend in de verte ontwaarde, net op tijd om te duiken.

Joost Zwagerman zal straks geen behoefte hebben zich te voegen naar het liederlijke cliché van de bohémien. Hij trekt zich er terug om ongestoord te werken aan een essaybundel en een dichtbundel. 'Mijn band met Bergen is een intense', zegt hij. Hij groeide op in Alkmaar, en dan ga je 's zomers naar Bergen aan Zee. Als het even kan past hij op huizen van bevriende Bergenaren. Een deel van Chaos en Rumoer schreef hij in het huis van beeldend kunstenaar Pieter Bijwaard, schuin achter dat van Roland Holst. Regelmatig verbleef hij in het 'Jong Nederland'-gebouw, 'een van de laatste bolwerkjes van vrolijke onaangepastheid in het helaas nog immer yuppificerend kustdorp'. Over de verloedering van de kuststrook schreef hij een gedicht in Bekentenissen van een pseudomaan.

Zwagerman kan zitten aan het bureautje van de dichtervorst, in de piepkleine 'werkcel' op de eerste verdieping, het enige vertrek waarin het verleden ongeschonden wordt bewaard. Het huis werd door Didia de Boer grondig gerenoveerd. Dat is prettig, vindt Sylvia Dornseiffer: 'Een bad op pootjes, waarin allerlei beroemdheden hebben gelegen, is wel romantisch, maar een goede douche is ook niet weg.'. De 'ramen met de kruisen', in de uitbouw, zijn verdwenen. Alleen de openslaande tuindeuren moesten blijven, op last van de dichter. Daar stonden Holst en Du Perron op 10 mei 1940 te kijken naar de bommenwerpers die het vliegveld Bergen verwoestten. De dorpsrand moest geëvacueerd worden, en Holst trok in bij de Du Perrons, die in De Kouw logeerden. Op 14 mei stierf zijn vriend Eddy daar, in de armen van zijn vrouw.

Op zulke grond moet literatuur kunnen gedijen.

Meer over