Werk in uitvoering is het enig goede, vond Fens

De kortheid van zijn naam liet zich lenen voor een woordspel, zo bleek toen Hugo Brandt Corstius eens de kortste weg liet zien om via het éénlettervervangingssysteem van zijn voornaam naar zijn achternaam te komen: Kees Lees je Lens Fens....

Als middelbare scholier aan het gymnasium van het Pius X College in Beverwijk kreeg ik Latijn van de classicus Piet Tromp, van wie ik nooit ben vergeten dat hij zich midden in een les terloops liet ontvallen dat hij ‘laatst in de trein zat met Kees Fens’.

Ze hadden gesproken over het foutieve gebruik in de pers van het woord ‘gijzelaar’. Telkens weer werd dat gebezigd om de gijzelhouder aan te duiden, terwijl een gijzelaar iemand is die gegijzeld wórdt. Daarover waren Piet Tromp en Kees Fens het eens geweest, in die trein tussen Zandvoort en Amsterdam.

Voor het eerst drong tot me door dat de schrijver van die machtige maandagstukken niet alleen schreef, maar ook wel eens zomaar in de trein zat - onderweg van zijn toenmalige woonplaats naar de krant, of anders naar de hoofdstedelijke boekhandels die als enige de exquise titels in huis hadden die zijn belangstelling verdienden.

Het gezag van mijn leraar won aan gewicht, doordat hij kennelijk op goede voet stond met de letterkundige autoriteit uit de Volkskrant. Dit is misschien wel het mooiste van die herinnering: de ervaring dat er, in en buiten de klas, nog zeer veel te leren viel, voordat ook ik achteloos zou kunnen zeggen dat ik laatst met Kees Fens in de trein zat.

En meteen maar even een brandende kwestie met hem doornam. Waarover we het nog snel eens waren ook.

Die hogere eenvoud heb ik nog altijd niet bereikt, en het moment waarop ik ben uitgeleerd is zelfs voorgoed uitgesteld met de dood van Fens, jaren nadat leermeester Tromp het leven liet. Nu moet ik me troosten met de rijkdom van het onvoltooide (Leopold), en de kernspreuk ‘Voltooiing betekent de dood en dat is definitieve stilstand’ (Fens), gevolgd door ‘Een wereld in aanbouw is de ware, werk in uitvoering het enig goede’, al wil de mens altijd voltooiing zien: ‘wij kunnen onze eigen naderbij komende onvoltooidheid niet verdragen’.

Het ergste van doodgaan, stelde Fens in Het geluk van de brug (2008), is niet het moeten missen van musea, boeken en muziek (‘allemaal te overleven na de dood’), maar ‘niet meer in het begin van de avond in de tram zitten, door de verlichte straten, geen brug meer oversteken, geen verlichte ramen meer om je heen zien, dat is pas erg’.

Vanmiddag wordt Kees Fens begraven op De Nieuwe Ooster, de stilte en ruimste begraafplaats van Amsterdam, waar hij in hetzelfde boekje liefdevol over schreef. Hij voelde zich er bij zijn laatste bezoek enigszins op zijn gemak.

Nu komt hij er te liggen in de nabijheid van de schilders Witsen en Breitner (‘nog altijd gedraagt de oude stad zich onder bepaald licht naar hun verbeelding en wordt dan heel mooi’), de tekenaars Hahn en Opland, de schrijvers Potgieter, Perk, Hoornik, Mens, Nescio (‘hij heeft zichzelf in Amsterdam gestalte gegeven’) en de meestervertaler August Willemsen.

‘Mijn toekomst heeft geen tijd meer,’ merkte Fens op in zijn laatste boek, dat zijn stadsgevoel in kaart brengt.

Vorige week vroegen we hem of hij wilde schrijven over de briefwisseling tussen Kloos en Verwey. ‘Heel graag!’, riep hij uit, en: ‘Het meeste ken ik al, hoor.’

Dat is het mooiste, zo heeft Kees Fens aan alle critici geleerd: lezen wat je al kent, maar er al schrijvend nieuw licht op werpen.

Meer over