Wereldvrede als doelstelling werd een mislukking Geschiedenis van eigen continent eerst

‘Global history’ is een modekreet, vindt een van de deelnemers aan de ‘Olympische Spelen voor historici’ in Amsterdam. Door Peter Giesen..

Peter Giesen

Bij de ‘Olympische Spelen voor historici’ hoort ook een variant op het Holland Heineken House. In het Holland History House, op de binnenplaats van het Amsterdams Historisch Museum, verzamelden de historici zich elke avond voor een borrel en een geschiedkundig amusementsprogramma. Historici hossen niet; ze luisteren naar een interview met Roger Chartier, eminent kenner van de geschiedenis van het boek, of naar een debat over ‘het einde van de geschiedenis’.

Deze week werd in Amsterdam het 21ste International Congress of Historical Sciences (ICHS) gehouden, ook wel de Olympische Spelen voor historici genoemd. Ongeveer dertienhonderd geschiedwetenschappers uit vijftig landen discussieerden er over een caleidoscopisch geheel van onderwerpen, van groot – de val van rijken – tot klein: de modernisering van het bedrijfsrecht in het 19de-eeuwse Japan of interculturele mogelijkheden in Transsylvanië, van de 11de tot de 20ste eeuw.

Centraal op het congres stond de ontmoeting tussen Noord en Zuid. In een periode van sterke globalisering neemt de belangstelling voor niet-westerse geschiedenis toe. Global history is een belangrijk thema geworden, een geschiedschrijving die de hele wereld omvat, en niet alleen vanuit het dominante westerse perspectief is geschreven.

Dat gaat allerminst vanzelf. ‘De professionele geschiedschrijving heeft zich in de 19de eeuw in Europa ontwikkeld, sterk gekoppeld aan de natiestaat’, zegt Hans Blom, voormalig directeur van het Nederlands Instituut voor Oorlogsdocumentatie en voorzitter van het organisatiecomité van het congres in Amsterdam. Geschiedenis was heel vaak vaderlandse geschiedenis. Tegenwoordig zijn er steeds meer historici die het nationale kader te beperkt vinden. ‘Maar het blijft moeilijk een vorm te vinden voor transnationale of globale geschiedenis’, aldus Blom.

Chinese beschaving
Ook op het congres blijken nationale gevoeligheden op te spelen. Tijdens de openingssessie benadrukt de Chinese historicus Bozhong Li het ‘exceptionalisme’ van China. Hij benadrukt het unieke karakter van de Chinese beschaving door onder meer te stellen dat de Chinezen hun watermanagement al millennia lang een stuk beter voor elkaar hebben dan de Indiërs. Dat schiet een aantal Indiase historici in het verkeerde keelgat. ‘Die man weet niets van India’, zegt een van hen. ‘Bovendien verdrinken er op dit moment Chinezen door overstromingen.’

Shahid Amin, hoogleraar in New Delhi, neemt global history niet al te serieus. Het is een modieuze kreet, zegt hij, maar heel vaak gaat mondiale geschiedenis toch weer over de kwesties die voor Europa relevant zijn. ‘Het gaat al heel snel over vragen als: waarom komt China nu zo snel op? Er is maar heel weinig belangstelling voor Centraal Azië, bijvoorbeeld voor het Mongoolse rijk van Djengis Khan.’

Amin wil ook niets weten van een specifiek Indiase aanpak van de geschiedenis. Er bestaat geen Europese en Indiase geschiedenis, zegt hij, alleen goede en slechte. ‘De professionele geschiedschrijving is inderdaad ontwikkeld in Europa. Maar zij is ook relevant geweest voor India. Marxistische historici als Hobsbawm en E.P. Thompson zijn door Indiërs gebruikt om het imperialisme te bekritiseren.’

De Indiase historicus onderscheidt zich niet van zijn Europese collega, vindt hij. ‘Er zijn veel onderlinge contacten. Ik heb zelf in Oxford gestudeerd. Bovendien: het verleden is een vreemd land, zoals het gezegde luidt. Ik heb zelf een boek geschreven over een Indiaas dorpje in de jaren twintig, in mijn geboortestreek. Maar ik moet me daarvoor ook inleven, net als een Europese historicus zou moeten doen. Ik ben geen boer uit de jaren twintig’, zegt Amin.

Perspectief
Ibrahima Thioub, hoogleraar aan de Cheikh Anta Diop-universiteit in Senegal, gelooft wel in een eigen historische stem voor Afrika. ‘Als historici delen we natuurlijk allemaal een discipline. Maar de rivier neemt de kleur aan van de stenen waarover zij stroomt. Een Senegalees ziet de wereld nu eenmaal anders dan een Zweed of een Nepalees. Je kunt je nooit helemaal losmaken van je eigen perspectief’, zegt hij. Niet-westerse historici worden belangrijker, meent Thioub, maar zeker Afrikanen zijn nog altijd in de minderheid. ‘Op dit congres zie je heel veel Afrikanen, maar relatief zijn het er weinig. Bovendien is hun overkomst vaak betaald door westerse donoren.’

Er is nog een andere vorm van ongelijkheid: Europeanen bestuderen Afrika, maar Afrikanen doen nauwelijks studie naar Europa. Thioub: ‘In Europa is de studie van Azië en Afrika opgekomen met de koloniale expansie. Kennis is belangrijk als je landen wilt veroveren. Ik zou graag zien dat mijn studenten zich ook bezighouden met huwelijkspatronen in het 14de-eeuwse Italië. Voor Afrika is het belangrijk om de rest van de wereld te kennen, om te voorkomen dat we door anderen gedomineerd blijven.’

Zo’n doorbraak is nog lang niet in zicht. De praktijk is anders. ‘Ik ken een Senegalese historicus die onderzoek deed naar Vietnam. Hij moest ermee ophouden. De reizen naar Vietnam waren niet meer te betalen, en de overheid had ook geen zin om zo’n exotisch onderwerp te financieren.’

De schaarse middelen worden vooral besteed aan de studie van het eigen land, of de eigen etnische groep, zegt Thioub.

Shahid Amin uit New Delhi waarschuwt dan ook voor nationalistische geschiedschrijving uit de opkomende landen, zoals de Europese historici uit de 19de eeuw ook vooral de grootheid van hun eigen land wilden laten zien. Amin: ‘Het is onzin om te zeggen: India en China komen op, dus moeten er veel meer historici uit die landen komen. Misschien is het werk van zulke historici helemaal niet interessant. Zo staan veel Chinese historici onder controle van de staat.’

Dat ontkent Bozhong Li, hoogleraar aan de Tsinghua-universiteit in Peking. ‘Twintig jaar geleden was dat misschien het geval. Maar tegenwoordig heeft een hoogleraar veel vrijheid. We hebben nog altijd marxistische handboeken, maar daar wijken we sterk van af.’

Meer over