Wereldgetuigenis tot heil van de mensheid

'Eén brok ophitsing tegen Nederlands belangrijkste nabuurstaat.' Ze oordeelde de Duitse consul in 1936 over de expositie De Olympiade Onder Dictatuur (D.O.O.D.) in Amsterdam....

WILLEM ELLENBROEK

Het Olympisch Stadion in Berlijn staat er nog. Het is groot, massief en omvat meer dan alleen een voetbal- en atletiekstadion. Het complex werd in een grootse samenhang ontworpen met hockeyvelden, een zwemstadion en andere voorzieningen. Op bronzen plaquettes staan de medaillewinnaars van toen nog vereeuwigd. Op de eretribune is die loge nog uitgespaard waar Hitler zich toen verbeet over de prestaties van de zwarte atleet Jesse Owens. En langs de atletiekbaan zijn de loopgraven nog te traceren waaruit Leni Riefenstahl de atleten in een mooi laag standpunt met een heroïsche lucht erboven vereeuwigde voor haar tweedelig epos Olympia, Fest der Völker en Fest der Schönheit.

Berlijn kreeg in 1936 de Olympische Spelen. Het verzet ertegen was door het Internationaal Olympisch Comité weggewuifd. Sport en politiek waren toen al streng gescheiden. De Kristallnacht en de verdoemenis van het modernisme met de nazi-tentoonstelling Entartete Kunst moesten nog komen, maar de rassenwetten en de jodenvervolging waren al in volle gang. In Duitsland was een nieuwe plattegrond van straf- en concentratiekampen ontstaan. Een groot deel van de weldenkende intellectuelen en kunstenaars was het land ontvlucht en leefde, aan de grenzen van het Derde Rijk, in Exil.

Toch was er verzet tegen die spelen. In het kolkende Barcelona van de Burgeroorlog werden alternatieve spelen gehouden en in het neutrale Holland vond een protesttentoonstelling plaats met de mooie, niets aan duidelijk te wensen overlatende agitpropnaam D.O.O.D. (De Olympiade Onder Dictatuur). De expositie sprak zich niet tegen die spelen uit, maar tegen de Kunstolympiade, een wedstrijd in de schone kunsten die toen gelijktijdig met de spelen plaatsvond. Honderdvijftig kunstenaars uit Europa (en één uit Amerika) zonden er werk voor in.

In het neutrale Holland nam het naziregime elke gelegenheid te baat om kritiek onmiddellijk te smoren. Het Duitse gezantschap in Den Haag en de consul in Amsterdam zetten het kabinet en de procureur-generaal, de burgemeester en hoofdcommissaris onder grote druk. Het had niet veel gescheeld of de tentoonstelling was verboden. D.O.O.D. was een tentoonstelling, waar na de oorlog iets legendarisch over hing. Er bleef niets tastbaars van over, slechts een catalogus zonder afbeeldingen die vergeten raakte. Nederland was in de ontwikkeling van de beeldende kunst geïsoleerd. Nieuwe ontwikkelingen voltrokken zich elders. Om D.O.O.D. hing later een waas van revolutionair, geëngageerd, modern. Maar niemand wist meer precies wat er te zien geweest was.

Het is nu gereconstrueerd in het Amsterdams Gemeentearchief. Compleet in de twee afzonderlijke delen, waaruit het toen ook was opgebouwd: een documentaire tentoonstelling waarin met foto's, tekeningen, documenten, boeken en attributen de politieke situatie in het fascistische buurland werd geschetst en de aparte kunsttentoonstelling waar het ingezonden werk te bezichtigen was.

Gebouw De Geelvinck, waar de tentoonstelling plaats vond, toegang vijftien cent, werd in de oorlog verwoest toen er een Engelse bommenwerper op neerstortte. De documentaire tentoonstelling was beneden, de kunst hing een etage hoger. Ook dat ging de waakse Duitse consul A.E. Jung te ver. De bezoeker moest eerst door het protest voor hij de kunst kon zien. Elk argument werd door het Duitse gezantschap in Nederland aangegrepen om tegen D.O.O.D. te protesteren.

In het gemeentearchief is niet alleen de reconstructie van de tentoonstelling te zien (voor zover mogelijk althans: de oorlog verwoestte niet alleen het tentoonstellingsgebouw, maar maakte ook een eind aan het leven van een aantal kunstenaars, uit angst voor vervolging werden tijdens de bezetting bepaalde kunstwerken vernietigd). Voor het eerst is nu te ervaren - in toen vertrouwelijke- en geheime documenten uit de archieven van de Amsterdamse politie en het kabinet van de burgemeester - hoe het gezag reageerde.

Het was een onrustige tijd. Er heerste grote werkeloosheid, geregeld braken onlusten uit. In de Amsterdamse gemeenteraad was de SDAP de grootste partij, maar als burgemeester was door een confessioneel kabinet een gezagsgetrouw AR-politicus aangesteld, Willem de Vlugt. Om die onlusten in de hand te houden waren maatregelen in de Gemeentewet genomen, die de burgemeester machtigden bepaalde (culturele) activiteiten te verbieden. Sinds kort was er ook een nieuwe wet, die verbood het hoofd van een bevriende natie te beledigen.

D.O.O.D. was opgezet door de Bond van Kunstenaars ter Verdediging van de Kulturele Rechten en het Comité ter Bescherming der Olympische Gedachte. In het comité van aanbeveling zaten bekende kunstenaars en intellectuelen, onder wie Willem Drees, rector Bruyn van het Vossiusgymnasium, de historicus Jan Romein en de schrijver Greshof. De organisatie was in handen van de componist en journalist Paul Sanders en de kunstenaars Jo Voskuil en Peter Alma.

Een oproep in vier talen, in de statige taal van die dagen, riep de deelnemers op: 'Laat deze tentoonstelling worden een wereldgetuigenis van de wil aller cultuurdragers tot heil van de beschaving, tot heil van de mensheid.' De expositie was uitdrukkelijk niet tegen het Duitse volk gericht: 'Zij spreekt zich niet uit over de politiek. Zij richt zich uitsluitend tegen de kultuurschending.' Het comité was gewaarschuwd. De NSB had al eerder in de stad de orde verstoord wegens haar onwelgevallige cultuuruitingen.

Ongeveer de helft van de inzenders kwam uit Nederland onder wie Eva Besnyö, Paul Citroen, Hildo Krop, Chris Lebeau, Harmen Meurs, Emiel van Moerkerken, Cas Oorthuys, Willem en John Rädecker, Charley Toorop en Jan Wiegers. De andere helft kwam uit België, Denemarken, Engeland, Frankrijk, Tsjechoslowakije, Zweden, met onder anderen Gerd Arntz, Robert Capa, Max Ernst, Otto Freundlich, Harald Isenstein, André Lhote, Jacques Lipchitz, Jean Lurçat, Frans Masereel, Lucien Pissarro, Georges Vantongerloo en Ossip Zadkine.

Al voor de opening sloeg de Duitse consul alarm. Hij vond de affiches beledigend. De burgemeester zag geen mogelijkheid ze te verbieden, maar weerde ze weer wel van de gemeentelijke zuilen. Burgemeester De Vlugt was gevoelig voor de klachten van de consul, maar het wetboek van strafrecht bood geen aanleiding op te treden. Hij greep ten slotte in op grond van de Gemeentewet. Voor de opening werden 19 werken verwijderd, waaronder het schilderij Tijdbeeld 1934 van Harmen Meurs, waarop een man door de SA met een hakenkruis wordt gebrandmerkt en een aantal tekeningen van Karl Schwesig over zijn ervaringen in de folterkelders van de SA in Düsseldorf.

De consul keerde zich vooral tegen de afdeling Documentatie, zijnde 'één brok ophitsing tegen Nederlands belangrijkste nabuurstaat en in hoge mate beleedigend voor het hoofd van den Duitschen staat'. Tegen de kunsttentoonstelling kon hij weinig inbrengen. Het meeste ingezonden werk was vrij, apolitiek - het strijdbare zat in de opvattingen van de deelnemende kunstenaars, niet in hun werk.

In opdracht van het departement werd later wéér een aantal werken verwijderd, waaronder nog een paar tekeningen van Schwesig en een stapel boeken van Karl May, die op de tentoonstelling geafficheerd waren als lievelingslectuur van Hitler. Het was de consul niet genoeg, hij bleef, in Den Haag en Amsterdam, ageren tegen deze 'duidelijke marxistische en joodse hetze'. Ten slotte ging De Vlugt zelf kijken, liet weer een paar stukken verwijderen en deed een strookje papier plakken over een bijschrift bij een van de laatst overgebleven tekeningen van Schwesig.

In het kielzog van de consul probeerde de Gestapo de woon- en verblijfplaatsen van de Duitse deelnemers te achterhalen. Bij de Duitse inval in Frankrijk in 1939 werden ze geïnterneerd, velen van hen kwamen alsnog in handen van de Gestapo, onder wie Schwesig die weer in de folterkelders van Düsseldorf belandde.

De reconstructie in het Gemeentearchie is gebaseerd op wat er teruggevonden werd in politierapporten, politiefoto's van de inrichting en de catalogus van D.O.O.D., waarvan er later twee bleken te zijn gemaakt; een voor en een na al die verwijderingen. Net als toen is de reconstructie gesplitst in een documentair gedeelte en een kunstexpositie.

De afdeling Documentatie was (en is nu weer) in verschillende afdelingen opgesplitst, waar de nazi-invloed op de terreinen van literatuur, opvoeding, recht, wetenschap, toneel, film, muziek en vrouwenbeweging werd gehekeld. Er waren reglementen te zien van de eerste concentratiekampen. Op de afdeling 'Sport' trad de Olympische beweging zelf in het strijdperk tegen het nationaal-socialisme. De beginselverklaring van de beweging: 'De Olympische Spelen worden iedere vier jaar gehouden. Zij verenigen amateurs van alle volkeren op voet van een zo volmaakt mogelijke gelijkheid', moest het opnemen tegen de uitspraak van een Duitse sportleider: 'Wij, nationaal-socialisten, kunnen geen enkele positieve waarde vinden in het feit, dat Joden en negers door ons land trekken en in wedstrijden met onze beste atleten hun krachten meten.'

In een vitrine over 'rassenhygiëne en rassenveredeling' ligt een cassette met Rassenkundliche Bestimmungstafeln waarmee de nazi-rasseninspecteurs met mallen de pigmentwaarde van de ogen en de kleur van het haar konden kwalificeren. Bij de afdeling opvoeding ligt, net als toen, een dolk van de Hitlerjugend en valt weer zo'n uitspraak over opvoeding te lezen (Hitler: 'Ich will keine intellektuelle Erziehung. Mit Wissen verderbe ich mir die Jugend'). Ernaast staan tinnen soldaatje in WA-uniform, waaronder Hitler zelf die zich schrap zet achter een tinnen katheder.

De verzamelde kunst was uiterst divers. Er waren landschappen, stillevens en portretten te zien, figuratief en abstract werk. Opvallend was de sterke vertegenwoordiging van de beeldhouwers. In sommige werken zit een revolutionare strijdbaarheid, zoals De meeting van Édouard Pignon of Staking te Hamburg, dat een straatgevecht verbeeld tussen nazi's en communisten, van Boris Taslitzky. Maar de meeste kunstenaars waren vertegenwoordigd met onderwerpen, die niet aan de actuele politiek raakten, zoals een boerenherberg van Charley Toorop of een landschap van Lucien Pissarro. Soms is de dreiging van die komen zou, verbeeld als een nachtmerrie, zoals het gruwelijke De Horde van Max Ernst.

De inzenders waren overwegend links, jong, revolutionair en stonden soms nog in de gloed van de revolutie, die in Rusland onder Stalin al gedoofd was, maar in hun kunst werd dat niet uitgedrukt. De Engelse Betty Rea leverde haar bijdrage aan de vlag voor het Engelse bataljon van de Internationale Brigade in de Spaanse Burgeroorlog. Ze sneed de gebalde vuist aan het uiteinde van de vlaggestok, maar op de tentoonstelling was ze vertegenwoordigd met een beeldje Moeder en kind.

De respons op D.O.O.D. was groot. De tentoonstelling kreeg vrijwel uitsluitend positieve aandacht in de pers en trok rond zevenduizend bezoekers. Ook de laatste politieinspecteur die de D.O.O.D. controleerde, was tevreden en noteerde in zijn rapport: 'Vorengenoemde teekeningen bleken alle verwijderd te zijn, zoomede op-, c.q. onderschriften. Over één onderschrift (folterkamer) was echter een zoodanig smal stukje papier geplakt, dat het, als men er van onderen inkeek, nog te lezen was. Door ons is het bestuur aangezegd, deze papierstrook voldoende breed te maken, waaraan aanstonds zou worden voldaan.' Voor Schwesig moet D.O.O.D. een foltering zijn geweest.

Een Kunstolympiade in Amsterdam. Reconstructie van de tentoonstelling D.O.O.D. 1936. Gemeentearchief Amsterdam, tot en met 19 mei. Catalogus: Uitgeverij Waanders, ¿ 49,95.

Meer over