Wereld trekt handen af van Congolese oorlog

DE VREDE is nu bijna drie jaar oud. Op papier, welteverstaan. Lusaka, juli 1999. De leiders in 'Afrika's Eerste Wereldoorlog', het jaar daarvoor uitgebroken in Congo-Kinshasa, het hart van het continent, kwamen na moeizame onderhandelingen tot een vredesakkoord....

De belangrijste onderdelen van het vredesakkoord zijn feitelijk nooit uitgevoerd. Het staakt-het-vuren heeft slechts gedeeltelijk standgehouden. De waarnemersmacht Monuc van de Verenigde Naties bleek te klein om veel invloed te kunnen uitoefenen. En de zogeheten Inter-Congolese dialoog kwam niet tot vruchtbare, gezamenlijke conclusies.

Natuurlijk, in complexe conflicten zoals dat in Congo is het zoeken naar vrede iets dat geduld, dat tijd vraagt. Zolang het openlijke geweld in bedwang te houden viel, kon zelfs bijna vergeten worden dat de oorlog zo'n drie miljoen directe en indirecte slachtoffers heeft geëist en een humanitaire ramp heeft veroorzaakt waarop nog steeds geen antwoord is gevonden.

Maar sinds kort is het geweld opnieuw in alle hevigheid losgebarsten. En valt te vrezen dat het op korte termijn alleen maar erger kan worden. Ook dat heeft met het zoeken naar vrede te maken. Maar dan vooral met de manier waarop die gezamenlijk begonnen zoektocht inmiddels een volstrekt gespleten bestaan is gaan leiden.

Tot voor kort leek het beeld nog redelijk overzichtelijk. In de hoofdstad Kinshasa, in het uiterste westen van het enorme land, zat president Joseph Kabila. Hij nam het, gesteund door militairen uit Angola en Zimbabwe, op tegen drie rebellengroepen in het noorden en oosten, die op hun beurt op de been worden gehouden door Rwanda en Uganda.

Een aantal weken geleden echter, na de laatste ronde in het vredesoverleg, heeft een van de rebellenbewegingen, de MLC van Jean-Pierre Bemba, zich bij Kabila aangesloten. Daarmee dreigde de grootste groep opstandelingen, de door Rwanda gesteunde RCD in de oostelijke plaats Goma, van het politieke onderhandelingstoneel te verdwijnen.

De RCD is een kat in het nauw. Bij de bevolking in de gebieden die zij de afgelopen jaren veroverd heeft, worden de rebellen gewantrouwd en de Rwandezen zelfs gehaat. Bemba is als bruggenhoofd tussen Goma en Kinshasa verdwenen. En ook Monuc, hoezeer officieel ook onpartijdig, lijkt tot de conclusie gekomen dat de RCD haar langste tijd gehad heeft.

De rare sprongen van de RCD-kat liegen er niet om. In Kisangani, 's lands derde stad in het noorden, zijn vorige maand volgens hulpverleners zeker tweehonderd mensen om het leven gebracht. Volgens de rebellen ging het om het neerslaan van een opstand.

Uit het noordoosten van Congo zijn berichten gekomen over meer dan tweeduizend doden bij gevechten tussen twee etnische groepen, de Hema en de Lendu. De rivaliteit tussen beide volken bestaat al tientallen jaren. Maar de oorlog die in augustus 1998 uitbrak, en die ook Ugandese militairen in het gebied deed verschijnen, heeft het conflict verscherpt, niet in de laatste plaats door de even plotselinge als grote stroom van kleine wapens.

Meer geweld ligt op de loer. Lokale oostelijke milities, zoals de Mayi-Mayi, die vroeger de strijd desnoods aangingen met pijl en boog, krijgen tegenwoordig vuurwapens uit Kinshasa en zullen er waarschijnlijk niet voor terugschrikken de RCD opnieuw te lijf te gaan. Hetzelfde geldt voor Rwandese Hutu-milities in Oost-Congo, waartegen de militairen van het Tutsi-bewind in Rwanda zich zeker teweer zullen stellen.

Dat weten we nu dus, of zouden we in elk geval kunnen weten. Gaan we er ook nog iets tegen doen? Die kans lijkt op korte termijn niet erg groot. Voor 's werelds grootmacht, de Verenigde Staten, heeft de oorlog in Congo momenteel weinig belang. De regering-Bush stelt na elf september 2001, als het gaat om Afrika en conflicten, haar prioriteiten voor het continent binnen het algemene beleid van terreurbestrijding. Daarom bijvoorbeeld de huidige speciale aandacht (en speciale afgezant) voor Sudan en de pogingen om dit land los te weken uit zijn 'schurkenstatus'. De ellende in Congo heeft tot nu toe nog geen terroristen in spe te zien gegeven.

Minder Amerikaanse aandacht betekent vrijwel automatisch minder aandacht van de VN-Veiligheidsraad. Uitbreiding van Monuc tot een vredesmacht, of minstens een effectieve waarnemersmacht, staat niet op de agenda. Ook andere individuele landen van de Raad, zoals Frankrijk en het Groot-Brittannië, zijn in Congo weinig actief.

Naast dit alles speelt, hoe bitter dit ook klinkt, vermoeidheid zeker een rol. Bijna drie jaar lang nu heeft de internationale gemeenschap meegezocht naar vreedzame oplossingen. Nu zijn de leiders in Afrika's Eerste Wereldoorlog eerst zelf weer aan zet. Met al het bloed dat daarbij vloeit.

Meer over