Wel of niet meedeinen in het gedruis

Zou Houellebecq het Franse Boekenbal bezoeken? Hij lijkt mij niet iemand van de schone schijn of het lonken, de twee pijlers van zo'n evenement....

Modiano kan ik me eventueel voorstellen terwijl hij aan de rand van de dansvloer toekijkt. Hij mijmert, er hangt mist om hem heen. Van de vele Franse nieuwelingen die zo tolerant op de Nederlandse markt worden toegelaten, heb ik geen idee.

Of we ons wilden aanpassen aan het thema Gare du Nord, stond op de uitnodiging. Of we ons chic, joyeux, coquet wilden kleden. Oh la la. Het verzoek getuigt van twijfel over de gemiddelde Nederlandse smaak en van een paar tijdloze clichrond Parijs. Alsof die stad ons speeltje is.

Ik zie het blind voor me. Je loopt het Gare du Nord uit om in het eerste het beste restaurant oesters te eten en voelt je een hele Pierre. Later stap je glunderend met je koffers uit het metrostation bij je hotel, en je positie wankelt al. Je bent lomp, jij, buitengesloten. Die klikklakkende wezens zijn niet mooier maar doen beter alsof, en je bewondert haat ze erom. Clichkomen altijd ergens vandaan; de vraag is of ze interessant zijn. In bepaalde buurten in Parijs spat de arrogantie nog steeds van de straatstenen.

Ooit staken we voor Parijs onze duim omhoog. We reden na middernacht per vrachtwagen de Hallen binnen,waar ons uiensoep wachtte en daarna de noodzaak een slaapplaats te vinden. We waren morsiger, toen. Er raakt steeds meer tijd onherroepelijk verloren, maar deze weemoed kan ik het Bal niet aanrekenen.

Terwijl Parijs even in Nederland op bezoek is, maak ik me op voor een verblijf in Montr, een andere Franssprekende stad, aan de andere kant van de oceaan. Iemand noemt Montr het mooiste schrijvershotel ter wereld, iemand anders een kruidagelijksesing tussen New York en Parijs. Ik heb dus wel zin, maar een enkeling ligt dwars. Het is er koud, niet erg mooi. Waarom blijf je niet gewoon thuis? Dat weggaan heeft een concrete reden, er moet een boek af, maar moet dat echt daar?

'Ik reis in mijn hoofd', zegt A. fier. Inderdaad, om te schrijven kun je je beter begeven op het enorme wegennet in je hoofd, dat je bovendien toestaat zonder sciencefiction-achtige strapatsen in andere tijden te komen. Maar het innerlijke reizen stopt heus niet als je weggaat. Je hoofd gaat mee.

B. vindt reislust abject en zoekt er rusteloosheid, slordigheid achter.

Wat denk je helemaal in een paar maanden van zo'n land te leren kennen? Nou? C. mist op reis de vele boeken die onmisbaar horen bij zijn

werk. Ergens anders zijn en niet kunnen werken is voor hem de hel. Hij maakt liever uitstapjes naar een bepaald cafn zijn stad, waar hij zich met geestverwanten kan meten. Het merendeel, D. tot en met Z. zogezegd, zegt dat het jaloers is, misschien uit hartelijkheid.

Dit gaat niet over reisliteratuur. Je reist zelden om er expliciet over te rapporteren, al maak je net als in je eigen land notities. Er komen ongemerkt flarden gesprek, anekdotes, vreemde beelden in je schrijfsels terecht. Ik kan als freelancer af en toe een paar maanden in een ver oord gaan zitten en grijp de kans aan, dat is eigenlijk alles. Het werk gaat mee; de keus voor Montr is niet toevallig.

Bij het voorbereiden ben ik alvast ingenomen voor mijn gastland. In Bowling for Columbine zet Michael Moore Canada neer als kalm en vreedzaam vergeleken met de VS, de door wapens en angst beheerste zuiderbuur. Veilige, rustige landen zijn zeldzaam. Het Frans dat ze er spreken is iets als Fries voor een Hollander, maar dat maakt niet uit. Ik ben in Leeuwarden ook nooit verdwaald.

Ik zal met het Boekenbal in de benen vertrekken. Volgend jaar is het vierhonderd jaar geleden dat deel van Don Quichot verscheen, de eerste moderne roman. Mogen we dan een keer als bovenaardse Dulcinea's of maja's of uitgemergelde idealisten feesten? Koket en vreugdevol is ding, de Spaanse trots is iets anders. Dan branden we voorzover we dat in ons hebben los in een bevlogen debat over het belang van de letteren boven de wapens, of andersom. Toekijken als sceptische Sancho Panza's mag ook.

Meer over