Weg van de collectieve eenzaamheid

Performance was lang uit de tijd, maar is – niet alleen in de dans – nu weer terug. In tijden van virtuele netwerken is er behoefte aan lijfelijk contact....

‘Liefste’, begon Paz Rojo achter de microfoon. Ze had het tegen de toeschouwers. De danseres las een afscheidsbrief voor, in het Engels, met Spaanse tongval. Fluisterend zei ze daarin de liefde op tussen de kijker en de bekekene. De relatie was niet meer spannend, vond ze. De verhouding ingedut. Wij namen de liefde als te vanzelfsprekend aan, vochten er niet meer voor. Zij wilde een relatie waarbij meer op het spel stond, waarin risico’s werden genomen in de hoop dat het lichaam van de toeschouwer en het lichaam van de danser echt in elkaar zouden opgaan en de theatrale ruimte zouden delen.

Het was een prikkelende brief. Slecht voorgelezen, toen, bijna vier jaar geleden op een koude decemberavond in Theater Kikker, tijdens het optreden This is Love. Maar met een duidelijke inhoud: het contact tussen publiek en dansers moest hersteld en geïntensiveerd. Het lichaam met zijn lusten en lasten, maar vooral met zijn extreme en confronterende zeggingskracht, moest weer van zich laten horen.

Haar smeekbede lijkt te zijn verhoord. Sinds een paar jaar is op toneel merkbaar dat choreografen en dansers nieuwe manieren zoeken om directer contact te maken met de toeschouwer. Niet zelden gebeurt dit in de vorm van een performance: een uitgesproken fysiek optreden dat van korte duur kan zijn, of zich juist urenlang oprekt. Rauw, direct, rafelig, onaf. Precies te definiëren is de kunstvorm niet. Essentieel is wel dat de performer de toeschouwer in een korte, indringende actie met zijn lichaam confronteert. Bijvoorbeeld door erin te snijden tot bloedens toe, door het spattend door de olijfolie te wentelen of door het 24 uur bewegingsloos op een stoel vast te pinnen.

Jarenlang speelde de performancekunst zich af in de marge, in obscure zaaltjes en kille kraakpanden. Nu is de performance plots te vinden op grote podia van gerenommeerde instituten, in schouwburgen, tijdens hoofdprogramma’s. De twintigste editie van Festival Julidans, eerder altijd meer gericht op choreografische dans, reserveert de komende week bijvoorbeeld ruimte voor een performance van de zingende Ivo Dimchev, berucht om zijn bloedende wenkbrauw, en voor de dierlijke lichaamsreflexen in Birth of Prey van Lisbeth Gruwez, voormalig danseres van Jan Fabre.

Fabre zelf, koning van de performance, is in Julidans als choreograaf te gast, met een solo voor een zwart geschminkte Artemis Stavridi in de vorm van een baldadig, sidderend gedanste afscheidsbrief. En poptempel Paradiso staat dit weekend, tijdens I like to watch too, geheel in het teken van de performance. Naast Something Raw in februari is dit het tweede dansfestival dat de fysieke performance in de etalage zet.

In de beeldende kunst – performance speelt zich ook in die discipline af – is een vergelijkbare opmars zichtbaar. Toeschouwers stonden dit voorjaar uren in de rij om in het Museum of Modern Art in New York in stilte plaats te nemen aan de tafel tegenover een zwijgende Marina Abramovic. Het retrospectief op haar werk trok duizenden bezoekers per dag – het was de eerste overzichtstentoonstelling van een performancekunstenaar in het gerenommeerde MoMA. In Düsseldorf is nog tot eind deze maand een overzicht te zien van ‘100 Years of Performance’.

De samenstellers nemen het Futuristisch Manifest van de Dadaïsten in 2009 als startpunt van hun historisch overzicht, in tegenstelling tot de gangbare opvatting die het ontstaan van de performance aan de jaren zestig toeschrijft, de tijd van happenings en body art.

Suzy Blok, programmeur van I like to watch too, verklaart de opmars van de performance uit de behoefte van jonge dansmakers om in deze tijden van virtuele netwerken weer lijfelijk contact te maken. ‘Tijdens voorstellingen duiken dansers achter je op, ze jagen je van je plaats, ze nodigen je uit glazen platen aan te schroeven die hun ledematen pletten. In deze tijd waarin iedereen zich suf communiceert via facebook en twitter, willen zij zich als tastbaar individu profileren. Het is een reactie op een soort collectieve eenzaamheid.’

In de performances die Blok naar Paradiso haalt, doorbreken de kunstenaars nadrukkelijk ‘de vierde wand’ – de denkbeeldige scheidslijn tussen podium en publiek – om expliciete statements te maken. De Noor Erikk McKenzie ageert in thought/i met een maskerade tegen de vernietiging van de natuur. In I can ride a horse whilst juggling so marry me van de jonge choreograaf Jan Martens ironiseren vijf schreeuwende en dansende jonge vrouwen, de vriendenhandel in identiteiten op Facebook. Blok: ‘Hun performances hebben de compactheid van een slogan. Alsof ze willen inwrijven: ‘Ik wil dat je hierover nadenkt.’’

De meest in het oog springende performance is Bleu Remix van de Zwitser Yann Marussich. Gedurende een verblijf van vijftig minuten in een glazen vitrine begint hij over zijn hele lijf blauw te zweten. Uit al zijn poriën lijkt inkt te druipen. Hoe hij dit bewerkstelligt blijft geheim. Ook Blok weet niet of de Zwitser iets inneemt of inspuit. ‘Niemand mag bij zijn voorbereiding zijn.’ Volgens haar wil Marussich de kwetsbaarheid van het zachte lichaam laten zien in contrast met de harde wereld waarin we leven.

Blok ziet wel een verschil met de hausse aan performances in de jaren zestig en de opleving nu. ‘Toen shockeerden kunstenaars het publiek met sadomasochistische optredens. Ze doorbraken taboes. Ze gebruikten drugs en neukten op toneel. De meeste invloed kwam vanuit de beeldende kunst. Voor de nieuwe generatie telt shockeren niet meer. Niemand kijkt meer ergens van op. Ze tonen juist de fragiliteit van het lichaam, de huid, de binnenkant, de poëzie. De impuls komt nu vanuit de dans.’

Er is nog één opvallend verschil: bij de jonge generatie performancekunstenaars mag gelachen worden. Vorig jaar zorgde de dikke balletdanser Olivier Dubois in de Stadsschouwburg voor een hilarische verrassing tijdens Julidans met zijn ongekend energieke performance over opgejaagd vlees.

Dit jaar drijft een trio uit Oslo (The Line) tijdens I Like To Watch Too de spot met de virtuositeit die dans aankleeft. Het publiek joelt, klapt en giert van de lach, terwijl de dansers als een gek te keer gaan in de meest foute moves uit populaire dansstijlen. Oerlelijk, maar wel razendsnel en perfect uitgevoerd.

Meer over