Weg met de beleefdheid!

Het heeft iets raars: kunstenaars die zich uitspreken over het museum als inspiratiebron. Toch heeft het idee in het Museum of Modern Art in New York een verbazingwekkend kijkspel opgeleverd....

door Henrico Prins

AL OP STRAAT, voor de ingang van het Museum of Modern Art in New York, is het veel te druk. Het zicht op de drommen wachtenden in de hal belooft evenmin veel goeds. En inderdaad, werkelijk neerslachtig word je pas nadat je de suppoost bent voorbijgeschuifeld die een stuk van je kaartje afscheurt.

Er zijn schoolkinderen in alle soorten en maten. Er zijn reizigers uit verre landen. Er zijn studenten met bloknootjes en studenten met schetsboeken. Er zijn, vanzelfsprekend, kunstliefhebbers die het kolossale dringen en duwen met gramstorige blik gadeslaan.

Hier, in het museum dat zichzelf graag MoMA noemt, is niet eens iets bijzonders aan de hand. Een paar tentoonstellingen, de vaste collectie, veel fotografie - business as usual. Maar het is, zoals de regelmatige bezoeker kan beamen, de laatste jaren gewoon altijd druk. In elk jaargetijde, op elk ogenblik van de dag. Omdat het museum - en zeker dit museum - aan het eind van de twintigste eeuw is uitgegroeid tot bedevaartsoord waar de honger wordt gestild naar een religieus soort beleving.

Dat is geen opzienbarende veronderstelling, of een zojuist verworven inzicht, of zo. Hele boekwinkels vol zullen intussen zijn gewijd aan de verandering die het museum de afgelopen twee eeuwen heeft doorgemaakt: van oudheidkamer naar educatief instituut, van rariteitenkabinet naar elitair attractiepark, met daartussenin alle gradaties die je kunt verzinnen, die van godsdienstvervanger incluis.

Niks nieuws dus, behalve dan misschien in het MoMA, dat aan dit thema nu een bescheiden expositie heeft gewijd: The Museum as Muse. Daar is van tientallen kunstenaars, levend en dood, werk uitgestald dat zou getuigen van hun visie op het museum 'als muze'.

Tja. Kunstenaars die zich moeten uitspreken over het museum als inspiratiebron. Dat heeft iets raars, al was het maar omdat de kunstenaar en het museum zo ongeveer tot elkaar zijn veroordeeld als de winkelier en de toonbank, de scheepslasser en het schip, de buschauffeur en zijn Benidorm-express.

Maar met die constatering doe je de tentoonstelling geen recht. In weerwil van die merkwaardige titel ('Artists reflect', staat er ook nog onder - ja, dat mag je hopen) is The Museum as Muse een verbazingwekkend kijkspel geworden. Het begint al gelijk bij de ordelijk opgehangen lijsten en lijstjes van Allan McCollum, Collection of four hundred and eighty plaster surrogates. Vierhonderdtachtig schilderijenframes die vierhonderdtachtig passepartouts vasthouden die vierhonderdtachtig zwarte rechthoeken omklemmen, zo ziet het eruit en niet anders, en het is van al dat nutteloze priegelwerk alleen al de hoeveelheid die verpletterend overkomt.

Even verderop hangt werk van de fotografen Thomas Struth en Elliott Erwitt, die het publiek hebben vastgelegd dat komt kijken naar zo'n karikaturale museumcollectie. Erwitt laat een Grieks-orthodoxe priester vroom staren naar het geslacht van een naakte tors, hij fotografeert een huisvader die met de videocamera zowat in een toelichtend bordje kruipt, en hij laat twee zwaar bebaarde Indiase mannen, tulband op de kop, een vitrine met Romeinse beeldjes bewonderen - een van de mannen krabt zich net uitgebreid onder zijn oksel.

Erwitt vertelt anekdotes. Hij licht eenlingen uit de massa. De Duitser Struth toont in een serie manshoge opnamen juist aan dat het museumpubliek aan het eind van de twintigste eeuw all over the world hetzelfde is. En dan gaat het dus om die uniforme schare schoolkinderen en reizigers en studenten en kunstliefhebbers die elkaar onbekommerd voor de voeten lopen - of het nu in de Galleria dell'Accademia is in Venetië, in het Louvre in Parijs, of in het Museum of Modern Art in New York.

Onwillekeurig denk je dan: wat zou het verfrissend zijn als al die o zo vreedzame bezoekers, al die mensen die voortdurend op elkaars tenen staan, hier en nu in datzelfde MoMA elkaar eens te lijf zouden gaan. Maar wat rondom het voetbalstadion een gebruikelijk tijdverdrijf is geworden, wil in het museum klaarblijkelijk nog steeds geen navolging krijgen.

Hoewel. Er is bij The Museum as Muse een hoekje waar het zou kunnen, een plek waar het handgemeen steeds op de loer ligt: Claes Oldenburgs uit 1972 stammende Mouse Museum. Het is een vrijwel geheel afgesloten, naar zweet geurende uitstalkast waar je door een klein deurtje naar binnen moet. Eerst kijk je naar de achterhoofden van een tiental andere museumbezoekers, en vervolgens naar vitrines waarin spul ligt uitgestald dat iedere verkoper op een rommelmarkt het water in de mond zou doen lopen.

Wat de expositie verder nog toont (van El Lissitzky, Garry Winogrand, Christo, Henri Cartier-Bresson, Marcel Duchamp, Marcel Broodthaers, Jan Dibbets en misschien nog wel veertig anderen) mag mooi zijn, maar hoe aandachtig je het ook poogt te aanschouwen: na zo'n benauwend bezoek aan de doos van Oldenburg heb je een vieze smaak in je mond die je niet meer kwijtraakt. Het is een voorproefje van de richting die het museum voorgoed lijkt ingeslagen en die rechtstreeks naar het gekkenhuis voert.

Dat zou afdoende zijn, maar The Museum as Muse wil cultuurpessimisten graag helemaal aan hun trekken laten komen. In dat verband is de meest oorspronkelijke visie afkomstig van de Franse schilder Hubert Robert. Hij beeldde aan het eind van de achttiende eeuw, toen in Frankrijk de voorlopers van de hedendaagse musea ontstonden, tweemaal de Grande Galerie af van het Louvre in Parijs.

Op de eerste versie is de galerij voorbeeldig ingericht. Er zijn nog geen schoolkinderen in alle soorten en maten en geen reizigers uit verre landen, maar verder klopt alles: de ordelijk opgehangen schilderijen en schilderijtjes, de verdwaald rondlopende kunstliefhebbers, het handjevol mensen dat zich over een schetsboek buigt.

Pal naast dat idyllische tafereel hangt het schilderij waarop Robert dezelfde Grande Galerie heeft afgebeeld, maar dan in volkomen verruïneerde toestand. Het dak ligt eraf, beelden zijn van hun sokkel getrokken, de bezoekers zijn eerder verdwaasd dan verdwaald (al zit op de puinhopen nog wel een jongeman een tekening te maken van het laatste overeind gebleven beeldhouwwerk).

DIE GROTE vernietiging, de klap die een eind moet maken aan de beschaving of wat daarvoor door moet gaan - het is een beeld dat depressief zou moeten stemmen, maar op de een of andere manier lokt het een uitbundige vrolijkheid uit. Nog zoiets: The Los Angeles County Museum on Fire van de Amerikaanse kunstenaar Edward Ruscha, geschilderd tussen 1965 en 1968. Het befaamde museum, gevestigd in een onvriendelijk en destijds verguisd bouwsel van William Pereira, brandt daar als de hel.

Zo moet dat. Weg ermee. Niet beleefd doen, niet in de rij staan tot je aan de beurt bent, niet wachten op het vertrek van die menigte goedbedoelende bezoekers die je al het zicht beneemt. Uit de klauwen blijven van de gevestigde musea die je, met hun opvoedkundige inslag, het liefst naar het volmaakte geluk zouden willen schoppen. Dat is wat The Museum as Muse uitdrukt, dankzij een paar recalcitrante schilderijen.

Twee Scenes from the future, van het Russisch/Amerikaanse duo Komar & Melamid, horen ook bij dat weerspannige werk. Op het ene schilderij staat de vervallen New Yorkse vestiging van het Guggenheim Museum in een omgeving die door een atoombom getroffen lijkt. Het andere verbeeldt het geheel naar zijn grootje gegane Museum of Modern Art, in een bucolisch landschap met bomen en schapen.

Zo zijn we weer terug bij af, en er is niet eens zoveel voorstellingsvermogen bij nodig om te kunnen voorspellen dat het ooit zover zal komen, of om deze treurige ondergang toe te schrijven aan het noodlot dat een museum over zich afroept als het een tentoonstelling wijdt aan zichzelf. Het is een vorm van hovaardij die alleen maar kan leiden tot ellende en droefenis, tot lange rijen wachtenden voor de deur, en tot de ontploffing die daar onvermijdelijk op volgt.

The Museum of Modern Art, New York: The Museum as Muse, t/m 31 mei. Catalogus The Museum as Muse: Artists Reflect, Kynastine McShine, $ 24,95.

Meer over