Weg met de autodidacten

Zeven van de meer dan achthonderd musea in Nederland hebben een eigen restauratieatelier. Anne van Grevenstein, hoogleraar conservering en restauratie, wil meer....

Wim Wirtz

Anne van Grevenstein-Kruse (61) leerde het restauratievak bij gerenommeerde instellingen en laboratoria in het buitenland, met rijke bibliotheken en ‘mensen die wisten waar ze het over hadden’. Ze had ‘enorme mazzel’. In haar tijd was de gangbare opleidingspraktijk in België, haar geboortegrond, meestal eenrichtingsverkeer, van meester naar leerling.

Dankzij familieconnecties in het métier kwam ze verder dan de gemiddelde restauratiestudent van haar generatie kon komen, samen met de fascinatie die ze voor het ambacht had: ‘De openbaring van schoonheid en betekenis op de vierkante centimeter en uiteindelijk op de vierkante meter – een prachtig schilderij uit de 14de eeuw waar je alleen maar iets af hoeft te halen om de schoonheid ervan te ontdekken. Wetenschappelijke nieuwsgierigheid speelt natuurlijk ook een rol. Dat je bijvoorbeeld met röntgenmethoden dwars door de verflagen van een schilderij heen het authentieke doek kunt bekijken, dat is totaal top.’

In de jaren zeventig van de vorige eeuw kwamen er restauratieopleidingen van de grond, mbo en hbo. In 1990 gaf Van Grevenstein de stoot tot een vijfjarige postdoctorale restauratieopleiding voor schilderijen, historische interieurs en hedendaagse kunst in Maastricht (‘We kregen veel kunsthistorici, maar ook bètamensen – chemici, bouwkundigen’). Samen met de hbo-opleiding voor restauratoren in Amsterdam werd de Maastrichtse postdoc-studie in 2005 ondergebracht bij de eerste, vijfjarige academische restauratieopleiding in Nederland, aan de Universiteit van Amsterdam, met acht specialisaties.

In november vorig jaar gingen officieel de deuren open van het zogeheten Ateliergebouw aan de Hobbemastraat, vlak bij het Rijksmuseum, waar de restauratieafdeling van datzelfde museum, de UvA-masteropleiding en de afdeling onderzoek van het Instituut Collectie Nederland nu in synergetische eendracht bezig zijn met onderwijs en onderzoek, door alle betrokken disciplines heen.

Sind april van dit jaar is Anne van Grevenstein daar hoogleraar Praktijk van conservering en restauratie. Vorige week hield ze haar oratie. Daarin wees ze op het belang van de restauratie voor de wetenschap en hield ze een pleidooi voor uitbreiding van de restauratiepraktijk in Nederland tot een door de overheid gefinancierd netwerk waarvan alle musea gebruik moeten kunnen maken.

Restauratie en wetenschap: wat is de link?

‘De restauratiepraktijk is een bron van kennis. Het maakproces en de restauratiegeschiedenis hebben impact gehad op hoe een object er nu uitziet. Over dat maakproces kun je een heleboel te weten komen door archiefonderzoek, bronnenonderzoek naar de atelierpraktijken en materiaalonderzoek aan het object zelf. Al die informatie geeft een helder beeld van hoe en waarom het er zo uitziet.

‘Er zijn meerdere wegen om daar te komen. Bijvoorbeeld door reconstructieoefeningen.’ Wijzend op een met grove streken bewerkt doek: ‘We zien hier een vrij dramatisch voorbeeld van hoe een restauratiegeschiedenis kan zijn: de invloed van gesmolten bijenwas op de perceptie van een schilderij. Gesmolten bijenwas geeft een verdonkering, vergeling en verbruining van het oppervlak. Als we weten dat 99 procent van alle schilderijen of doeken uit de Gouden Eeuw met washars is geïmpregneerd, dan is een zeer relevante onderzoeksvraag: hoe zagen ze eruit toen ze het atelier uit kwamen voordat ze waren geïmpregneerd, en wat gaan we de komende decennia met die erfenis doen? Met de kennis die je opdoet, kun je een prognose maken voor het behoud en beheer van zo’n hele collectie.

‘De afgelopen twintig, dertig jaar is er een enorme vooruitgang geboekt in analytische technieken. In mijn jeugd had je een verfmonster nodig, en je probeerde dat in omvang natuurlijk tot een minimum te beperken, want het was toch een stukje Rembrandt dat je eruit prikte. Nu is er een enorme vooruitgang naar digital imaging en allerlei sophisticated onderzoeksmethodes, die juist dat non-destructieve benadrukken.’

Er zijn meer dan achthonderd musea, waarvan er slechts zeven over een eigen restauratieatelier beschikken. U vindt dat er een landelijk netwerk moet komen voor alle musea.

‘Ik wil er niet een enorm issue van maken, maar het is wel opmerkelijk dat er zo weinig musea zijn met een eigen atelier. Collecties behoeven een permanente zorg, en in die zin kun je zeggen: een museum zonder restauratiepraktijk is als een ziekenhuis zonder arts.’

Een boude uitspraak.

‘Boud, ja, maar het ís wel zo.’

Een museum kan niet functioneren zonder restaurator?

‘O, zeker wel. Iedereen kan functioneren, in wat voor omstandigheden ook. Maar oké, we draaien het om: een museum heeft geen restaurator – de restauratie wordt uitbesteed aan een marktpartij. Wat gebeurt er dan? Dan hangt het er sterk van af of de conservator of museumdirecteur iets weet van de restauratiepraktijk en van het beroepsprofiel van degene die hij voor een restauratie inschakelt. In het beste geval gebeurt zo’n restauratie goed. Maar het budget is beperkt, dus veel wetenschappelijk onderzoek zit er niet in – dat weet ik uit ervaring –, want het aantal manuren dat besteed wordt aan restauratie, is te groot om er nog een wetenschappelijke analyse bij te kunnen doen. Er wordt een behandelingsverslag gemaakt, maar de grote lijnen van materiaaltechnisch onderzoek ontbreken. Daarom zijn de plannen van NWO voor een Science for Arts-programma zo hoopgevend.’

En daarom zegt u: elk museum een door de overheid betaalde restauratiepraktijk die nauwe relaties onderhoudt met de wetenschap.

‘Dat zou fantastisch zijn, ja.’

In de museumwereld hoor je: mooi idee, maar er is te weinig geld.

‘Dat is ook zo. Dat is het probleem. Kijk, het is niet zo erg als iets niet gerestaureerd wordt. Tuurlijk: dan ziet het er niet uit, je kun het niet tentoonstellen. Maar veel lastiger is het als je grote, algemene conserveringsproblemen hebt met je hele collectie. De continuïteit die een restauratie-infrastructuur in een museum geeft, overstijgt het nadeel dat je hebt als je aan een object geen aandacht kunt geven.’

Een museum moet zich dus niet alleen richten op te exposeren objecten, maar ook op spullen die in een kelder liggen opgeslagen.

‘Zeker. Ook. Natuurlijk. Het verschilt nu nogal, het maakt wel uit of je naar het ene of het andere museum kijkt, er zijn verschillende protocollen van bewaren. Maar het gaat erom dat er permanente aandacht is van iemand die daarnaar kijkt in zo’n infrastructuur. Dat hoort bij het beheer.’

Hoe hard is de noodzaak van zo’n museale infrastructuur?

‘Heel hard. Het is ook de drijfveer om de opleidingen zo adequaat mogelijk te maken, want als er afgestudeerde restauratoren zijn, genereren die als het ware vanzelf de behoefte, is mijn ervaring.’

Hoe werkt dat dan?

‘Als er straks restauratoren van deze opleiding de praktijk ingaan – in 2011 of 2012 – komen er vanzelf praktijkvoorwaarden waaraan het beroep van restaurator moet voldoen. Als je gaat kijken wie nu in de restauratiepraktijk wat doet met welk diploma, dan schrik je. Het percentage autodidacten dat een korte cursus van zes maanden heeft gevolgd, is nog vrij groot. Bij de nieuwe generatie zit er geen autodidact meer tussen.

‘Het werkt ook op een andere manier. Ik ben net terug uit Peking. Daar hebben we een jaar lang een project gedaan in het Zomerpaleis: de restauratie van een portret van de laatste keizerin van China, dat daar in 1905 is geschilderd door de Limburger Hubert Vos. Plasterk heeft dat schilderij onthuld. Er is een film van gemaakt. Een boek. Mensen in de museumwereld zien dat en gaan dan aankloppen bij de overheid: geef ons een goede restauratiepraktijk. Daar ben ik van overtuigd.’

Naar het voorbeeld van uw atelier in Limburg: één restauratiepraktijk per provincie voor de hele regio? Dat gaat geld kosten.

‘Ja, dat zou ik een ontzettend visionaire gedachte vinden. En geld, ach – als Belgische denk ik dan: is iets alleen maar relevant als er geld voor is? Mijn stelling is: als er geld bij moet, dan moet er geld komen, mits de noodzaak is aangetoond.

‘De meerwaarde van een landelijk restauratienetwerk is de kennis die het genereert, je loopt minder risico met objecten, er wordt minder dramatisch per geval gehandeld, er worden betere keuzes gemaakt – wat nu, wat straks? –, het is minder gerelateerd aan tentoonstellingen en verkopen of aankopen. Het is een globaler, cultuurbehoudend plan. We moeten langere lijnen krijgen van restauratie en conservering. Dan garandeer je continuïteit.’

Meer over