Wees blij, geluksvogels

Pessimisme is altijd in de mode, pessimisten worden altijd gehoord. Maar krijgen ze ook gelijk? Heel vaak niet. Zéggen de Britse evolutiebioloog Matt Ridley en de Nederlandse filosoof Sebastien Valkenberg. Door Olaf Tempelman

Het kan niet anders of de aanblik van dat stel nieuwe machthebbers heeft wat Nederlanders de afgelopen dagen doen terugverlangen naar goede oude tijden. Maar zouden we kunnen terugkeren - we zouden mensen tegenkomen met een verlangen naar vroeger. De afkeer van de eigen plek in de eigen tijd is van alle tijden.


In de achtste eeuw voor Christus verlangde de Griekse dichter Hesiodus terug naar een verloren gouden tijd waarin mensen 'behaaglijk en vreedzaam op hun land leefden met vele goede zaken'. Nog velen na hem werden bevangen door die nostalgie de la boue, de heimwee naar de modder. Gevorderde cultuurpessimisten en vooruitgangssceptici komen vaak uit bij een boerengezin dat knus bij het vuur zit te eten in een hoeve midden in een ongerepte natuur.


We moeten daar niet mee aankomen bij de schrijvende Britse evolutiebioloog Matt Ridley: 'de bronchiale hoest van de vader is een voorbode van de longontsteking waaraan hij op zijn 53ste zal overlijden. De baby zal overlijden aan de pokken waardoor hij nu moet huilen; (...) hoewel de stoofpot smakeloos en taai is, is het een zeldzame afwisseling voor de watergruwel. In deze tijd van het jaar is er geen fruit of sla. Niemand heeft ooit een toneelstuk gezien of een piano gehoord...'


Het zijn altijd romantische westerlingen geweest die de trek naar de steden hebben betreurd, weet Ridley: ex-boertjes in de sloppenwijken van Bombay hoor je nooit over mooie dorpen. Hetzelfde slag westerlingen betreurt nu de effecten van het internet op ons concentratievermogen. De traditie bestaat al sinds Plato, die treurde om de schrijfkunst die ons geheugen ondermijnt.


Een leven lang hoort Ridley al dat de tijden slecht zijn en slechter zullen worden. Zijn 'oog voor de feiten' overtuigde hem langzaam van het tegendeel. In 1970, Ridley was twaalf, las hij in het tijdschrift Life dat de wereldwijde stadsbevolking binnen tien jaar gasmaskers zou dragen. Hij heeft ze nooit gezien. In de jaren '80 was Ridley net als velen bang dat de Europese bossen zouden verdwijnen door de zure regen. Ze staan er nog. Al lang nadert het einde van de welvaart doordat grondstoffen opraken. In 1865 sloeg de Britse econoom Stanley Jevons alarm vanwege slinkende steenkoolvoorraden: 'Men kan dus tot de slotsom komen dat we het huidige tempo van onze vooruitgang niet lang zullen kunnen voortzetten.'


Het is anders gelopen. Desalniettemin: pessimisme is altijd in mode, pessimisten zijn altijd respectabel. Op het risico voor een naïeve charlatan te worden versleten, schreef Ridley De rationele optimist, 'een boek over de voordelen van verandering'. Minder dan 450 pagina's heeft hij nodig om uit te leggen dat het met de planeet de afgelopen millennia steeds beter is gegaan. Mensen hebben zich als consumenten gediversifieerd en als producenten gespecialiseerd. Ooit verloren ze al hun tijd met het zoeken naar voedsel. Het onstuimige avontuur der vooruitgang begon toen 'lerende mensen met grote hersenen' zaken met elkaar begonnen uit te wisselen. 'Uitwisselen is voor culturele evolutie wat seks is voor biologische evolutie.' Leve de vrije markt.


De meest bevoorrechte kerel van de 17de eeuw, Lodewijk XIV, genoot ondanks 498 gespecialiseerde bedienden minder privileges dan een westerling nu. Een geavanceerde gezondheidszorg, een diversiteit aan voedsel, een overvloed aan informatie - op alle gebieden zitten we boven de Zonnekoning.


Vervolg p3


Boven de Zonnekoning

Vervolg van p1


Een steeds grotere wereldbevolking heeft steeds beter te eten gekregen en is steeds langer gaan leven. Hoe het kan? 'Toen de mensen nog allemaal jager-verzamelaars waren, had iedereen ongeveer 1000 hectare nodig om in zijn of haar levensbehoeften te voorzien. Nu heeft iedereen - dankzij landbouw, genetica, machines en handel - weinig meer dan 1000 vierkante meter nodig.'


De mensheid gaat vooruit, de voorspellingen van rampen blijven. Aan het eind van de 19de eeuw voorzagen ze dat er in 1950 drie meter paardenmest in de straten van Londen zou liggen. Maar de paarden verdwenen snel na de prognose. In 1972 voorspelde de Club van Rome in Grenzen aan de groei dat de olievoorraden in 1992 op zouden zijn. Door nieuwe technieken werden nieuwe voorraden aangeboord. Tegen de tijd dat die op zijn, weet Ridley, halen we onze energie weer ergens anders vandaan. 'Ik merk dat ik het oneens ben met reactionairen van alle politieke kleuren: blauwen die een hekel hebben aan culturele verandering, roden die een hekel hebben aan economische verandering en groenen die een hekel hebben aan technologische verandering.'


De laatsten moeten het in De rationele optimist het meest ontgelden. Voorspellingen van 'ecopessimisten' die niet zijn uitgekomen buitelen over elkaar heen. Een bijzondere afkeer is gereserveerd voor de 'hogepriesters van de biologische landbouw'. Ridley wordt 'moe van mensen die niet bij een dokter langs willen die een stethoscoop gebruikt in plaats van een MRI maar wel eisen dat boeren technologie uit de jaren dertig gebruiken om voedsel te verbouwen'.


Het is tijd dat moderne mensen zichzelf eens gaan zien als wat ze de facto zijn, vindt de evolutiebioloog: als geluksvogels. De jonge Nederlandse filosoof Sebastien Valkenberg (1978) gebruikt dat woord als titel van zijn nieuwe essaybundel. Geluksvogels - Of waarom we het nog nooit zo goed hadden is een wat plechtstatig geschreven maar voorzichtiger en minder ronkend betoog dan dat van Ridley. Deze auteurs zijn het niettemin in hoge mate eens.


Ook bij Valkenberg moet de Club van Rome het ontgelden. Ook hij heeft een speciale afkeer van milieuactivisten en moddernostalgici. Zo heb je in Nederland tegenwoordig een Platform Lichthinder. Het is weinig anders dan 'potsierlijk' . Wat willen ze? Dat er 'een lichtpolitie' de duisternis gaat beschermen? 'Verlichting is veel belangrijker dan duisternis en verdient het te worden gekoesterd', schrijft Valkenberg, over meer dan alleen lantaarnpalen.


'Door een overdreven fixatie op de schaduwzijden van technologische ontwikkelingen hebben filosofen de neiging die categorisch te veroordelen', stelt hij. Matt Ridley schrijft iets vergelijkbaars: 'Naar stagnatie hunkerende intellectuelen zijn bezeten van dreigende neergang, verwording en rampspoed.' Een van de meest uitgesproken veroordelingen van de moderne tijd is van Heidegger, die in 1966 tegen Der Spiegel verkondigde: Nur ein Gott kann uns retten. In dezelfde tijd bereikte de populariteit van Herbert Marcuse een hoogtepunt, die in de VS 'ontluikend fascisme' ontwaarde. Inmiddels hebben de VS een gekozen zwarte president.


In Geluksvogels laat Valkenberg goede dingen uit het Nederland van nu de revue passeren die, het eeuwige lot van voordelen, 'al te gemakkelijk over het hoofd worden gezien'. Vooral de platte consumptiemaatschappij wordt in bescherming genomen. Laten we blij zijn met al die keuzes. Degenen die aan de verleidingen bezwijken, geven blijk van een gebrek aan wat de Grieken hexis noemden, de juiste innerlijke houding.


Pessimisme is veilig, optimisme is moedig. 'Mocht het glas bij nader inzien halfleeg zijn, dan ervaart het publiek dat alsof het is bedrogen. Voor de pessimist geldt het omgekeerde. Wie neemt het hem kwalijk als hij het bij nader inzien mis heeft? ' Onze tijd verdient beter dan zij krijgt van dat leger van cultuurpessimisten en wetenschappers. Wie weet. Maar pessimisten verdienen beter dan ze krijgen in deze twee boeken.


Te stellen dat de schrijvers uit het noordwesten van Europa komen en hun moois zich vooral daar afspeelt, is misschien wat flauw. Vooral Ridley spant zich in te betogen dat het overal steeds beter gaat, al is zijn essay over Afrika, door hem betiteld als een van 'de twee grote pessimismes van het heden' (het andere is 'het klimaat na 2010') oppervlakkig en weinig overtuigend.


Met een begrip als relatieve welvaart kan Ridley weinig. Een miljard aardbewoners zitten, denkt hij, boven de Zonnekoning - maar die zag, in tegenstelling tot al die recentelijk in stedelijk gebied gearriveerden Oost-Europeanen, Indiërs en Chinezen, niet de hele tijd mensen om zich heen die meer hadden. Uit onderzoeken blijkt steevast dat het welbehagen van mensen afneemt naarmate ze slechter af zijn dan hun omgeving. Een paardenkar in een dorp waar niemand vervoer heeft is een bron van trots, een paardenkar in een stad vol auto's een bron van schaamte.


Het belangrijkste wat in deze boeken onderbelicht blijft, is evenwel dat krediet dat allerhande pessimisten toekomt voor positieve veranderingen - en de rampen waar optimisten en vooruitgangsdenkers op zijn minst medeschuldig aan zijn. Dat er ook na 1865 nog sprake was van economische groei, kwam natuurlijk mede door die 'steenkoolapocalyptici' en de zoektocht naar alternatieven die zij in gang zetten. Zonder bang te zijn dat iets kan gebeuren kan het gebeuren. Een flink deel van het krediet voor het feit dat milieurampen die werden voorzien zich niet voltrokken, gaat naar de apocalyptische wetenschappers en de maatregelen waarvoor zij ijverden. En zo kun je doorgaan.


Het lastigste voor vooruitgangsdenkers van nu is dat ze het kunststukje moeten verrichten over de politieke rampen van de 20ste eeuw heen te stappen. Valkenberg haalt er Nietzsche bij, die schreef dat een overdaad aan historisch besef een verpletterende uitwerking heeft. 'Als mensen zich alles als de dag van gisteren zouden herinneren wordt de geschiedenis een steeds zwaardere molensteen om de nek.' Zo is het maar net. Wat voor stijgende lijn je ook in de geschiedenis ontwaart, de zwarte bladzijde die de twintigste eeuw in veel opzichten was, laat zich niet eenvoudig omslaan. De totalitaire staten die voor tientallen miljoenen doden verantwoordelijk waren, vloeiden in hoge mate voort uit vooruitgangsdenken en een geloof in techniek. Hun hoge slachtofferaantallen bewerkstelligden ze mede door de techniek te gebruiken.


Matt Ridley noemt zichzelf een rationeel optimist, om het verschil duidelijk te maken tussen hem de aartsvaders van het totalitarisme, de 19de eeuwse utopisten. Zij waren 'irrationele optimisten'. Maar zo zagen fascisten en communisten zichzelf niet: hun project was rationeel. De communistische maatschappij vloeide zelfs voort uit een aan wetenschappelijke wetten gehoorzamende geschiedenis.


Ridley en Valkenberg zitten beiden aan aan het andere eind van het ideologische spectrum: deze rationele optimisten zijn liberalen en 'meritocraten'. Maar in het grensgebied tussen rationeel optimisme en utopisme hangen mistflarden. De Nederlandse filosoof Hans Achterhuis publiceerde onlangs De utopie van de vrije markt, waarin hij, overtuigend vind ik, de parallellen duidelijk maakt tussen de radicale voor- en tegenstanders van de markt: beiden houden te weinig te rekening met hoe mensen werkelijk zijn.


Het siert vrijemarktadept Ridley dat hij in De rationele optimist opbiecht dat hij als 'non-executive voorzitter' van Northern Rock medeverantwoordelijk was voor het failliet gaan van deze bank in de herfst van 2008. Hij had, optimistisch als hij is, geen enkel gevaar gezien in het in de VS gangbare leenbeleid. De wereldwijde instorting van het financiële systeem 'verraste' hem. Als lezer verrast je dat na 400 pagina's niet. Ook op deze vooruitgangsdenker zitten wat utopische vlekjes. Zijn optimisme had Ridley trouwens in mum van tijd weer terug: de wereld gaat die crisis glansrijk te boven komen.


Vooruitgang bestaat, maar niet altijd dankzij vooruitgangsdenkers.


Meer over