Weer meesterwerk uit de Braziliaanse sertao

Graciliano Ramos moet een man geweest zijn die je maar beter niet kon lastig vallen met het soort gezwets waarmee zoveel gewichtige types zich dagelijks onledig houden....

WILLEM KUIPERS

Voor mij was Graciliano een volslagen onbekende, voor August Willemsen, de meester-vertaler die van Angústia, zoals het boek in het Portugees heet, een Nederlands kunstwerk heeft gemaakt, niet.

In zijn nawoord vertelt Willemsen op de rustige, academische wijze die we van hem gewend zijn dat de Braziliaan Graciliano Ramos (1892-1953) behoorde tot de belangrijkste vertegenwoordigers van de stroming die in het Brazilië van de jaren dertig met 'de roman van het Noordoosten' werd aangeduid. Het is opvallend dat uitgerekend uit deze contreien, dit uit acht deelstaten bestaande, door periodieke droogten geteisterde rampgebied, deze 'veelhoek der droogten', zoals Willemsen schrijft, zóveel grote romans voortkwamen, dat men wel vergelijkingen heeft gemaakt met een soortgelijke bloei van de roman in het Rusland van de negentiende eeuw.

Graciliano Ramos kwam uit dat Noordoosten, uit de sertao, zoals deze streken worden genoemd. Wie de eveneens door Willemsen vertaalde, en zeg ik zonder restrictie, indrukwekkende, roman Diepe wildernis: de wegen van Joao Guimaraes Rosa heeft gelezen, hoef ik daar niets over te vertellen (en wie dat boek nog niet gelezen heeft, moet weten dat hij zichzelf een bijzondere literaire ervaring onthoudt).

Graciliano heeft over zijn jeugd in de sertao van Buíque, Vila Buíque en het stadje Viçosa - in zijn tijd een uiterst gewelddadig oord: 'anderhalve moord per dag', noteert Willemsen - geschreven in zijn boek Infância (Kinderjaren). In zijn laatste romans Angústia en Vidas Secas keerde hij ernaar terug.

Graciliano Ramos schreef voor lokale kranten en werd mede daardoor een plaatselijke beroemdheid, maar zijn talent werd pas ontdekt toen hij als burgemeester van Palmeira dos úndios in 1929 en 1930 een tweetal rapporten over economische en administratieve kwesties schreef, die zo afweken van het normale ambtelijke taalgebruik dat er in de landelijke pers ruchtbaarheid aan werd gegeven.

Zo werd hij ontdekt door de dichter-uitgever Augusto Frederico Schmidt en begon Graciliano's carrière als schrijver (hoewel hij zichzelf nooit als schrijver heeft beschouwd). In 1935 voltooide hij Angústia, waarna hij prompt werd gearresteerd, verdacht van 'communistische sympathieën'.

Wie bij machte is de sporen daarvan in Angústia te vinden moet wel een zeer speciale bril op zijn neus hebben, want dit boek heeft met van alles en nog wat te maken, maar niet met het communisme. Angústia is het verhaal van een geobsedeerd, getourmenteerd man, de kantoorklerk Luís da Silva, die het dagelijkse leven als een kwelling ondergaat. Hij onstnapt er ten dele aan door voor regionale kranten te schrijven. Als hij verliefd wordt, of liever gezegd, vervuld raakt van een zinderende begeerte voor het lichaam van de schone Marina, komt zijn sleurleven in de stroomversnelling van een niets ontziende haat tegen de verheven zwetser Juliao Tavares, die het met Marina aanlegt.

Het verhaal eindigt uiterst dramatisch (met een haast surrealistisch beschreven moord), maar de gebeurtenissen waarover Graciliano vertelt zijn op zichzelf niet de dingen waar het om gaat in dit boek. Alles wat Graciliano uit zijn fantasie (en zijn eigen leven) te voorschijn tovert, draagt ertoe bij dat er een bewustzijn, een innerlijk, wordt blootgelegd en dat is, kan ik wel zeggen, van een moordende beklemming. In feite, denk ik, biedt Graciliano met dit boek inzicht in zoiets als de 'ziel' van de kunstenaar, zijn eigen innerlijk, een allles opzuigende geest, die intelligent en overgevoelig als hij is, zou willen opstijgen naar hogere regionen, maar in de droesem van de dagelijkse treurnis verzuipt. Dàt is misschien de diepste bron van Da Silva's 'haat', zijn onmacht zich uit dat bestaan te bevrijden en daarvoor moet de ellendige dikzak Tavares boeten (Coppens & Frenks, ¿ 56,90).

Aan zo'n boek heb je dagenlang genoeg, zelfs in de Boekenweek, die zoals gebruikelijk gepaard gaat met een stortvloed van nieuwe geschriften. Veel over de oorlog, want dat is het 'thema'. In Folio is er afgelopen zaterdag uitgebreid aandacht aan besteed en daarom kan ik me hier beperken tot boeken als Verder leven van Ruth Klüger, Kapitein Corelli's mandoline van Louis de Bernières, De gespijkerde god van Hannelore Wolf en Tekens van vuur van de Portugees Jorge de Sena, die ook over de oorlog gaan.

Over de oorlog, dat klinkt nogal globaal en daarom alleen al schiet deze omschrijving tekort. Neem bijvoorbeeld Tekens van vuur. Dat boek, van Jorge de Sena, is een zo bijzondere autobiografie dat je de inhoud ervan niet tot een paar trefwoorden kunt reduceren. Van Sena werd in 1994 de novelle De wonderdokter vertaald, een soort Faust-legende, die zich in de middeleeuwen afspeelt, maar die door de seksuele angsten en verlangens die er doorheen zwiepen zo door en door van deze tijd is dat je - zoals ik hier toen schreef - heel goed begrijpt waarom de schrijver zich een 'modernist' noemde.

In Tekens van vuur, de enige roman die de dichter, criticus, toneelschrijver en essayist Sena geschreven heeft, wordt de lezer duidelijk gemaakt, hoe - in de zomermaanden van 1936 - heel geleidelijk de realiteit van het fascisme, eerst in Spanje, later in Portugal met de dictator Salazar tot het bewustzijn van drie jonge, studerende flierefluiters doordringt en hen verandert (De Prom, ¿ 49,50).

Ook in het boek van Louis de Bernières gaat het om meer dan de oorlog, in dit geval voorzover die zich met al zijn weerzinwekkende gruwelen in Griekenland voltrok. Door middel van verschillende personages die los van elkaar hun ervaringen doorgeven, wordt in dit boek een tijdsbeeld geschetst, dat zich concentreert op het eiland Kefallinia, waarvan dokter Iannis probeert de geschiedenis te vertellen, terwijl de schone Pelagia, zijn dochter, meer en meer de hoofdrol krijgt in deze Griekse tragedie, die 'volgens beproefd recept', zoals Hans Bouman in de Volkskrant schreef, 'op daverende slotakkoorden afstevent', en dus nogal teleurstelt (De Arbeiderspers, ¿ 45,-).

De boeken van Ruth Klüger en Hannelore Wolf zijn anders. Het zijn geen romans, maar 'memoires'. Klüger, die in Wenen geboren en getogen is en na de oorlog literatuurdocente in de Verenigde Staten werd, laat zien hoe haar levensverhaal door haar verblijf in het concentratiekamp is getekend. In het begin van haar autobiografie laat ze weten dat ze het altijd aardig heeft gered, 'als ik maar niet', schrijft ze, 'die kwellende verveling van het in het gesprek herkauwde leven van alledag over me heen hoefde te laten gaan.'

Zowel de literatuur, die haar als joods meisje in Wenen al de mogelijkheid van een ontsnapping bood, als de herinnering aan haar omgekomen familieleden maken haar in haar eigen ogen tot een outcast - met een scherp, feministisch oog voor het onrecht dat 'minderheden' wordt aangedaan (De Bezige Bij, ¿ 48,50).

De gespijkerde god van Hannelore Wolf heb ik niet gelezen en ik kan dus alleen refereren aan wat de uitgever te melden heeft over dit boek, waarin een tienjarig joods meisje - in 1943 ondergedoken bij een gereformeerd gezin in Limburg - in brieven aan haar 'Vati' verhaalt over 'de voorvallen van alledag, over de vreemde mensen om haar heen en vooral over het vreemde geloof dat de mensen er aanhangen' (SUN, ¿ 19,50).

Dan zijn er nog een paar andere boeken, die ik om verschillende redenen uit de enorme stapel van welgeteld 79 boeken heb gehaald.

H. J. A. Hofland, de onbetwiste primus inter pares van de Amsterdamse journalistiek, bundelde in De elite verongelukt zijn opstellen over politiek, literatuur en 'de politiek van de auto' - 'De autostaat is een fascistische staat omdat daar in laatste aanleg alles ondergeschikt wordt gemaakt aan de belangen van het automobilisme' - die bij elkaar getuigen van Hoflands typerende neiging 'alles met alles' in verband te brengen. Niet met de teugelloze bevlogenheid waarmee dit adagium in de jaren zestig werd opgedoft, maar wel nog steeds met 'de macht van de verbeelding' in de pen (De Bezige Bij, ¿ 32,50).

Eveneens bij de Bij - de coöperatie waarvan Hofland voorzitter is - verscheen Barbaar in de tuin, een bundel essays van de Poolse dichter Zbigniew Herbert met een voorwoord van de Kafka-vertaler Willem van Toorn, die terecht vaststelt dat 'ieder woord in Herberts werk doordrongen is van het besef dat de menselijke beschaving een uiterst fragiel bouwwerk is, overeind gehouden door bewaarde teksten, beelden, kunstwerken, sporen in landschappen - en dat we om met het heden te kunnen omgaan en over de toekomst te kunnen nadenken voortdurend vragen aan het verleden moeten blijven stellen.'

De lenige en spirituele excertiën van Herbert geven daar alle aanleiding toe, of hij nu de grotten van Lascaux bezoekt (wat een prachtig stuk over de kunst van de prehistorische mens!), Arles aandoet, zijn bewondering voor Siena onder woorden brengt of temidden van albigenzen, inquisiteurs en troubadours verblijft (¿ 44,50).

Aan opstellen verder geen gebrek. Ben Knapen, hoofdredacteur van NRC Handelsblad, bundelde zijn stukken 'over desoriëntatie en democratie' in Nederland en omstreken (Prometheus, ¿ 29,90); vrienden van Kees Fens zoals H. C. ten Berge, H. Brandt Corstius, Remco Campert, Hella Haasse, gerrit kouwenaar, Michel van der Plas, Annie M. G. Schmidt, Jan Mulder en Jan Wolkers zagen hun bijdrage aan het feestelijke afscheid van Fens als hoogleraar in Nijmegen opgenomen in De eerste stem, een album voor Kees Fens (Querido, ¿ 29,90); de historicus Kossmann verzamelde zijn 'opstellen over geschiedenis' in Vergankelijkheid en continuïteit (Bert Bakker, ¿ 45,-) en Cees Fasseur, hoogleraar in de geschiedenis van Indonesië - van wiens hand in 1993 het boek over de opleiding van Indische bestuursambtenaren De indologen het licht zag, inmiddels herdrukt - publiceerde De weg naar het paradijs en andere geschiedenissen, waarin over 'vier eeuwen Ind(ones)ië' verteld wordt en dus ook over Multatuli en zijn Max Havelaar (Bert Bakker, ¿ 45,-).

Bij De Arbeiderspers is men begonnen de reisverhalen van Cees Nooteboom opnieuw uit te geven. Het eerste deel, Van de lente de dauw, gaat over Azië (¿ 34,90; ¿ 49,90 gebonden). Ronald Giphart schreef verhalen met een al dan niet studentikoos accent op de geslachtelijke liefde tussen man en vrouw - en een gemeen stukje over de criticus T. van Deel - die door Balans werden uitgebracht onder de titel Het feest der liefde (¿ 29,90).

En er is, bij alles wat ik ongenoemd moet laten, een nieuwe bundel poëzie op cahierformaat van de gekwelde meester Hans Verhagen, Echoput & Luchtkasteel (De Bezige Bij, ¿ 39,50).

Meer over