Weer is de boodschap: trotseer verzet uit eigen kring

Wat hebben Bobby Kennedy, Martin Luther King en Barack Obama gemeen? Hun geloof in wat Amerikanen ten goede kunnen keren, schrijft Irshad Manji....

Irshad Manji

Het is poëtisch en ook beangstigend dat Barack Obama presidentskandidaat is geworden in dezelfde week dat wordt stilgestaan bij de moord op Robert Kennedy op 6 juni 1968.

Onlangs kreeg Hillary Clinton veel kritiek toen zij Bobby Kennedy en juni in één adem durfde noemen. Ze wilde aantonen dat het niet uitzonderlijk is dat de nominatiestrijd zo lang duurt, door te verwijzen naar de campagne van Kennedy. Zij verwees niet naar diens gewelddadige dood, maar het getraumatiseerde Amerikaanse publiek deed dat wél meteen.

Wellicht is het omdat ik Canadees ben, en daarmee een wereldburger, dat ik geen moment aarzel in deze week toch nog eens over Bobby Kennedy te beginnen. Hoewel ik pas werd geboren na zijn dood, kan ook mijn generatie een les leren uit zijn advies aan de jongeren van zijn generatie.

Op 6 juni 1966, precies twee jaar voordat hij werd vermoord, bezocht Kennedy de Universiteit van Kaapstad. Zonder de apartheid in Zuid-Afrika en de rassenscheiding in de VS uit het oog te verliezen, prees Kennedy het feit dat bij alle studenten ‘geweten en verontwaardiging’ hand in hand gingen. De 40-jarige senator riep de jeugd uit tot de enige ware internationale gemeenschap en zinspeelde op een eigen status als erelid van die gemeenschap.

Maar zijn boodschap ging niet louter over de waarde van solidariteit voor sociale rechtvaardigheid. Met een bijna vooruitziende blik zette hij de aanval in op het groepsdenken over ras, sekse en seksuele gerichtheid dat ook nu nog op veel campussen gemeengoed is.

In Kennedy’s bevlogen woorden over solidariteit weerklonk een uitdaging: riskeer verzet uit je eigen groep omwille van een groter goed.

Dat is een 21ste-eeuwse uitdaging, omdat in ons multiculturele tijdperk het individu vaak wordt gereduceerd tot een mascotte van deze of gene groep. Het gevolg is conformisme op meerdere fronten: je bent progressief of je bent conservatief; je bent een consument of je bent een nul; je slikt de dogma’s van je etnische of religieuze clan of beroepsgroep, of je bent een verrader.

Zo velen van ons hunkeren ernaar om het orthodoxe denken te weerstaan, maar zo weinigen van ons mogen dat van zichzelf.

Kennedy zuiverde de wereld niet van de menselijke neiging toe te geven. In Kaapstad erkende hij ‘dat weinig mensen de afkeuring van hun medemensen, de terechtwijzing van hun collega’s en de toorn van hun samenleving durven trotseren’. Wie dat wel durft, toont ‘morele onverschrokkenheid’.

We hebben het niet over alledaagse moed. ‘Morele onverschrokkenheid’, merkte Kennedy op, ‘is zeldzamer dan moed op een slagveld of een hoge intelligentie.’

Immers, voor het confronteren van de macht met de waarheid moet je de mensen bij wie je hoort het hoofd bieden. Dat is altijd afschrikwekkender dan met de vinger wijzen naar onbekende anonieme vijanden van buiten.

Kennedy’s beroep op morele onverschrokkenheid werpt licht op een van de moeilijkste kwesties voor de leiders van onze tijd: hoe veranderen we onze cultuur van polarisatie in een cultuur van echte pluriformiteit:hoe kunnen individuen hun eigen stem ontwikkelen en de verscheidenheid aan denkbeelden vergroten, in plaats van toe te geven aan de consensus van de groep?

Voor een antwoord had Robert Kennedy zich kunnen beroepen op zijn tijdgenoot Martin Luther King. Als iemand die handelde uit morele onverschrokkenheid, ging King de strijd aan met de bekrompen en onzekere stemmen binnen zijn eigen groep van progressieve theologen. Acht linkse geestelijken, christenen en joden, noemden dominee King een ‘buitenstaander’ wiens protestmarsen tot extremisme leidden. Ze beschuldigden hem ervan een ‘constructieve en realistische benadering van de rassenproblemen’ te ondermijnen. De titel van hun verklaring: ‘Een oproep tot eenheid.’

Maar King maakte een onderscheid tussen eenheid en uniformiteit. Het burgerrechtenicoon schreef: ‘Ik moet bekennen dat ik niet bang ben voor het woord ‘spanning’. Ik ben altijd fel tegen gewelddadige spanning geweest, maar er is een soort constructieve, niet-gewelddadige spanning, die nodig is om tot groei te komen.’

Hij had het niet over persoonlijke groei, maar over de groei van de bredere maatschappij. Als dit grotere goed er moest komen ten koste van solidariteit binnen de eigen beweging, dan moest dat maar zo zijn. Net als Kennedy geloofde King dat de Amerikanen beter konden doen en beter waren dan hun religieuze leiders meenden.

Laten we daarom, in onze strijd om het wij-tegen-zij-denken te overwinnen, denken aan Bobby Kennedy’s idee van morele onverschrokkenheid. Het leert ons dat wanneer we onze eigen, authentieke stem laten horen, we mogelijkheden vrijmaken die anders ten onder gaan aan zelfcensuur.

Dat is het recept voor afvalligheid in bedrijf, kerk en universiteiten. De vooruitgang vraagt niets anders van ons dan dat.

Vertaling: Cees Koster

Meer over