Weck ontkent kennis over vracht Boeing

Topambtenaar J. Weck heeft vrijdag voor de enquêtecommissie Bijlmerramp ontkend dat hij van voorlichter G. Knook van de luchtverkeersleiding anderhalf uur na de crash van de El Al-Boeing hoorde wat het toestel vervoerde....

Van onze verslaggevers

DEN HAAG

Wecks ontkenning staat haaks op Knooks getuigenis voor de enquêtecommissie, veertien dagen geleden. Eveneens 'naar beste herinnering' zei Knook dat hij Weck, toen de hoogste man van de Rijksluchtvaartdienst, inlichtte over 'de weinige informatie over de lading'.

De commissieleden trokken nauwelijks nog een wenkbrauw op over deze zaak van mogelijke meineed. De zoveelste, na vier verhoorweken.

Weck, tegenwoordig directeur-generaal Telecommunicatie en Post, trad op de dag van het verhoor van Knook tijdelijk terug in zijn huidige functie en wachtte sindsdien op deze kans om zich publiekelijk te rehabiliteren. Veel meer gunde de enquêtecommissie hem niet.

Snel groeide er irritatie tussen commissielid T. van den Doel, die niet zat te wachten op wollige antwoorden, en ambtenaar Weck, die zich beklaagde over suggestieve vragen.

Van den Doel: 'Voor de goede orde. Ik wil wat tempo. Kunt u kort antwoorden?' Weck: 'Ik kan niet met ja of nee antwoorden. Er ligt een suggestie in uw vraag besloten.'

Commissievoorzitter Meijer, na een blik op de klok: 'Nu moet ik echt ingrijpen. Wilt u niet te veel uitweiden.' Weck: 'Ik dacht dat ik redelijk concise was.'

Bijna een anticlimax was het verhoor van I. Chervin, destijds vrachtmanager El Al-Nederland. Geheel uit vrije uit was hij uit Israël naar Nederland gekomen om onder ede te getuigen, een unicum in de geschiedenis van de parlementaire enquête. Maar Chervins tolk had meer werk aan het vertalen van de vragen van de commissie dan aan zijn antwoorden. 'Dat herinner ik me niet', moest hij vaak toegeven.

De oplossing van het vraagstuk of en zo ja wanneer de luchtvaartpolitie de vrachtpapieren bij El Al ophaalde, kwam niet dichterbij. Woensdag legden oud-El Al-medewerker J. Plettenberg en politieman D. Nix daarover hopeloos tegenstrijdige getuigenissen af. Als Chervins geheugen beter was geweest, dan had hij uitsluitsel kunnen geven.

Gelukkig voor de enquêtecommissie sprak Chervin de avond voor zijn verhoor uitgebreid met de toenmalige directeur van El Al-Nederland, U. Danor. Waar Chervins herinnering was gewist, kon hij ruim putten uit het geheugen van Danor - dat alleen niet onder ede stond.

'Ik weet niet wie de papieren aan de politie gaf, maar gisteren zei Danor dat hij had gezien dat het Plettenberg was.'

Het was ook dankzij Danor dat commissievoorzitter Meijer nóg een novum op zijn naam kan schrijven. Als een volleerde detective Columbo stelde Meijer tijdens zijn afscheidsgesprekje met Chervin, by the way, een rake vraag. Daarna hadden de overige commissieleden aan een half woord van Meijer genoeg.

Het verhoor werd heropend, Chervin en diens tolk werden opnieuw beëdigd, en Meijer vroeg: 'Is de heer Danor op 4 oktober 1992 van het kantoor van El Al naar de rampplek in de Bijlmermeer gegaan?'

Chervin: 'Dit is ten gevolge van de vraag of ik naar de rampplek ben geweest. Ik niet. Maar Danor zei dat hij daar naartoe is gegaan, met de directeur onderhoud N. Almozlino, een politieman en de heer Plettenberg. Deze vier mensen zijn naar de rampplek geweest.' Hoe laat dat was, wist Chervin niet precies.

'Ze kwamen af en toe terug', wist hij daarop nog wel te melden.

Pagina 19: Commentaar

Meer over