We zijn nog lang niet van de populisten af

Kan de SP van Emile Roemer op één hoop worden gegooid met de Leefbaren, de fortuynisten, Trots op Nederland en de PVV? Volgens Hans Wansink is dat een miskenning van de populistische logica.

Precies op tijd verschijnt Populisten in de polder van Paul Lucardie en Gerrit Voerman, verbonden aan het Documentatiecentrum Nederlandse Politieke Partijen. Het is een toegankelijke inventarisatie van hedendaagse populistische bewegingen: de Leefbaren, Fortuyn en de LPF, Rita Verdonk en Trots op Nederland en Geert Wilders en de Partij voor de Vrijheid. Ook de SP wordt als populistisch gebrandmerkt. De auteurs baseren zich voornamelijk op recente studies, krantenartikelen en op publicaties van de betrokken bewegingen - dus niet op archiefonderzoek en interviews met betrokkenen. Voor bezonken geschiedschrijving is het kennelijk nog te vroeg.

Lucardie en Voerman hebben het vertrek van Hero Brinkman uit de PVV nog net weten mee te pakken (op basis van de Volkskrant van 21 en 22 maart en Brinkmans persconferentie). Ze memoreren hoe bang Wilders altijd is geweest voor LPF-achtige toestanden: het uiteenvallen van zijn beweging in ruziënde, elkaar bestrijdende splinterclubjes. Wilders wilde leren van de fouten die de Leefbaren, de fortuynisten, Verdonk en andere politieke eendagsvliegen hadden gemaakt. Maar ontkomt hij aan wat je zou kunnen noemen de populistische logica?

Alle populistische bewegingen bestaan uit buitenstaanders die zich uit naam van 'het gewone volk' richten tegen het gevestigde politieke bestel, dat onvoldoende oog heeft voor vraagstukken die de kiezers bezighouden. De opkomst van een populistische beweging veronderstelt een psychologisch klimaat waarbij grote groepen burgers het gevoel hebben dat zij door het gezag in de steek worden gelaten. Dat klimaat bestaat in Nederland al sinds de opkomst van de Leefbaar-beweging zo'n vijftien jaar geleden. De gevestigde politieke orde wordt ervan verdacht samen te zweren tegen de 'gewone mensen', van wie wordt verondersteld dat ze allemaal dezelfde belangen hebben.

De volkstribuun voelt dat wantrouwen tussen de kiezers en de gekozenen feilloos aan. Hij of zij maakt zich tot tolk van het ongenoegen en profileert zich als antipolitiek. Politici zijn oplichters die de problemen niet bij hun naam durven noemen en de belangen van het volk onder het tapijt moffelen. De affectieve band tussen de charismatische leider en zijn of haar achterban heeft zo ook weer het karakter van een samenzwering: nu tegen de gevestigde orde.

De positieve kant van het populisme is dat het veronachtzaamde vraagstukken agendeert en falende gezagsdragers corrigeert. Kiezers die hebben afgehaakt, worden weer gemobiliseerd. Vandaar ook dat populisten voorstander zijn van directe democratie: referenda en gekozen burgemeesters. Het onvermogen van de Nederlandse (en de Europese) politiek om de zeggenschap van de kiezers te vergroten, vormt een duurzame voedingsbodem voor populistische bewegingen.

Maar wanneer de populistische spelbrekers aan het bestuurlijke spel gaan deelnemen, gaat het mis. Ze raken van hun achterban vervreemd, want die begrijpt immers niet waarom bestuurders compromissen moeten sluiten en waarom de eisen van de beweging niet onmiddellijk worden gerealiseerd. De beweging sterft af, meestal in onderlinge ruzie, omdat de obsessie met samenzweringen als het ware naar binnen slaat.

Is dit ook het lot van de Partij voor de Vrijheid van Wilders? Hero Brinkman heeft steeds gepleit voor het omvormen van de PVV tot een gewone politieke vereniging, waarin leden democratisch het programma en de kandidatenlijsten vaststellen. Zo zou de continuïteit gewaarborgd zijn als Wilders zou wegvallen - geen theoretische kwestie gezien de bedreigingen waaraan de PVV-leider nog altijd blootstaat. Wilders heeft daar nooit aan toegegeven, omdat hij dan de absolute controle over zijn beweging zou kwijtraken. Om de boel bij elkaar te houden, deed de PVV niet mee aan het dragen van bestuurlijke verantwoordelijkheid op lokaal niveau. In de provincie Limburg werd de PVV uit het bestuur gezet en op het Binnenhof trok Wilders zelf de stekker uit de gedoogconstructie. Op korte termijn lijkt de oppositie voor de PVV een veilige haven. Temeer daar nog steeds wordt voldaan aan een belangrijke voorwaarde voor de populistische logica: het psychologische klimaat waarin grote groepen het gevoel hebben door de gevestigde politieke partijen in de steek te zijn gelaten. De stenen des aanstoots kunnen veranderen - van Mekka tot Brussel en van Wall Street tot het Catshuis - de onvrede blijft.

Geldt de populistische logica ook voor de SP? Op het eerste gezicht niet, want de SP is geen vluchtige beweging, maar een klassieke politieke partij. De SP is een vereniging waarin de (veelal actieve) leden in principe het laatste woord hebben en hun bestuurders, vertegenwoordigers en programma kiezen. Vertegenwoordigers van de SP zijn geschoolde politieke vakmensen, die gezag hebben opgebouwd in gemeenteraden en in maatschappelijke organisaties als de vakbeweging.

Aan de andere kant liep Jan Marijnissen in de formatie van 2006 nog weg voor het dragen van verantwoordelijkheid door niet in een coalitie met het CDA te stappen. Voor Lucardie en Voerman is dat een argument om de SP als populistisch weg te zetten. Zelf denk ik dat de SP een proces van sociaal-democratisering doormaakt dat vergelijkbaar is met de geschiedenis van de Partij van de Arbeid en haar voorgangers SDB en SDAP: van revolutionaire beweging tot coalitiepartij. Voor Emile Roemer komt het moment van de waarheid dichterbij: vuile handen maken of met lege handen staan.

Paul Lucardie en Gerrit Voerman: Populisten in de polder.

Boom; 240 pagina's; € 18,50.

ISBN 978 94 6105 704 4.

Leonard Ornstein: De jonge Fortuyn.

De Bezige Bij; 208 pagina's; € 17,50.

ISBN 978 90 234 7311 4.

FORTUYN ALS JONGE MAN

Leonard Ornstein hoopt in 2014 te promoveren op een biografie van Pim Fortuyn. Bij wijze van amuse presenteert hij nu een schets van de eerste 24 jaar van de latere politicus: De jonge Fortuyn. Het boek eindigt in 1972, als Fortuyn in Groningen arriveert om docent bij de vakgroep Filosofie en Maatschappijwetenschappen te worden met als opdracht les te geven in 'kritische theorie en het marxisme'.

Fortuyn is de eerste in zijn familie die met succes een academische opleiding afrondt, in minder dan vier jaar. De wereld ligt voor hem open. Volgens Ornstein kiest Fortuyn voor de wetenschap 'omdat hij zich wil meten met de slimste en invloedrijkste personen van de samenleving en bij die groep wil horen'.

Die geldingsdrang zit er van jongs af aan in: zo snel mogelijk stijgen op de maatschappelijke ladder. Meedoen met de grote jongens, of dat nu priesters zijn, studentenleiders, ondernemers of politici. Spectaculair is het verhaal van Ornstein niet, integendeel: de biograaf ontmaskert juist de grootspraak van Fortuyn in zijn autobiografie Babyboomers uit 1998. Dat verhaal is veel opwindender dan de werkelijkheid in de reconstructie van Ornstein.

Zo beschrijft Pim zelf in geuren en kleuren hoe hij in 1970 'op een zwoele nacht met de kloten voor het blok' wordt geplaatst. Zijn vriendin heeft er wel zin in, maar Pim niet: 'een grote angst bevangt mij, nee, alsjeblieft, dit niet'. Haar conclusie: 'Pim, weet je wat het is, ik geloof dat je geen hetero bent, maar een flikker'. Zij barst in tranen uit, hij staat aan de grond genageld: 'eindelijk is het kwartje gevallen'. Ornstein doet deze cruciale episode in één zin af als een 'bewering' van Fortuyn.

Een biograaf kan een goed verhaal ook doodchecken. In dit geval blijft er dan niet veel bijzonders over.

undefined

Meer over