'We zijn niet te temmen

Ibsens 'Bouwmeester Solness' opent het nieuwe gebouw van het Onafhankelijk Toneel, een houten theater in een glazen 'doos', op verzoek van de gemeente Rotterdam ook geschikt als kantoorpand....

Een theater bouwen lijkt veel op theatermaken. Niet als potentaat opereren maar saamhorigheid scheppen, een groepsgevoel. Anderen deelgenoot maken van je zorgen. Niet dat je niet eindverantwoordelijk zou zijn - je moet ook h goed weten wat je wilt. Maar vooral: uitstralen dat het gaat om 'ons aller product'. Zegt Gerrit Timmers. Hij weet het want hij deed het.

Het is naf, het nieuwe gebouw van het Onafhankelijk Toneel in het inmiddels hippe Lloydkwartier in Rotterdam. Er is een besloten ceremonie met burgemeester gepland, en overmorgen gaat de openingsvoorstelling in premi: Bouwmeester Solness van Ibsen.

Mirjam Koen regisseert. 'Waarom niet', zegt zij vrolijk. 'Een stuk over architectuur, over kunstenaarschap. Het viel te mooi samen.' Timmers bouwde het decor.

Mirjam Koen (15-7-1948) en Gerrit Timmers (19-7-1948). Hij was vijftien en praktiserend straatboef na het zien van West Side Story. Zij was vijftien en won een eerste prijs voor het beste libretto, uitgeschreven door het Nationale Ballet; twee jaar later een wedstrijd voor het beste filmscenario. De eerste aanraking met de beeldende kunst was zijn redding; zestien jaar en nooit meer een kraak gezet.

Zowat het hele leven al bezig met de kunsten. Een paar, in het gewone leven en ook in hun professioneel bestaan. Ze vormen vanaf 1984 samen met choreograaf Ton Lutgerink de artistieke kern van het OT; maar zij tweezijn al vanaf het prilste begin in 1973 betrokken bij het gezelschap, sinds de gemeente Rotterdam (negen) jonge Amsterdamse theatermakers naar de havenstad haalde om de boel eens op te schudden. Een eigen theater was een lang gekoesterde droom.

Hij gaat voor, de grote vergader-/werkzaal in, in het oude gedeelte van het gebouw. Sinds 1986 zitten ze hier, een bedrijfsterrein toen, waar broodjes tin en bauxiet werden geladen en joekels van locomotieven rangerend langs je raam gleden. Nu is het yuppengebied met chique woningen, fitnessfaciliteiten, een grand cafEn nieuw publiek, zegt hij met een glimlach. Ze wilden er niet weg. Het oude gebouw, zo scheef als het snoepige oude pandje er pal tegenover, werd rechtgezet, en uitgebreid met de nieuwbouw naar ontwerp van de jonge Rotterdamse architect Franz Ziegler. En van Gerrit Timmers. Hij deed ook de ganse bouwbegeleiding.

Ze begonnen in 2002; in juli 2003 was het 'af'. 'Het ging ineens snel. Je kunt je ook weinig veroorloven, van september tot maart mag hier niet worden gebouwd.' Stormseizoen. Te gevaarlijk. Enfin, het was niet zodanig af dat ze er meteen al in konden; zeker niet met de opera's waaraan ze toen bezig waren. Maar nu zal het ervan komen. De eerste try-out staat op stapel.

Zij komt binnen, kruipt achter de computer en foetert: een virus. Je moet wel stil zijn, zegt hij, we voeren hier een gesprek. Over duurzaam bouwen en gras op je dak, over isolatie, warmteverplaatsing, spots, runners en lieren en stopcontacten om de zoveel meter. Over tegenslagen die ten goede werden gekeerd, over verlies dat je nemen moet, over creatieve oplossingen met toiletrolhouders binnen een krap budget van drieeenhalf miljoen euro. Hij blijft opgewekt. 'Als beeldend kunstenaar houd ik van de bouw. Het begon met ons eigen huis. Dat was een uitgebrand pand en dus goedkoop. Ik ben er zeker anderhalf jaar mee bezig geweest. Wonen we nu toch aan een chique laan.'

Zij, instemmend, vanachter de computer: 'Dat deed je ook naast je werk.' Hij: 'Binnenkort vakantie, de eerste in lange tijd.' Jawel, ze zijn moe. Zij: 'Maar trots. We zijn niet te temmen, denk ik.'

Een ding stond vast: het mocht geen theatertheater worden. Het moest het locatiegevoel geven van de oude zaal, die lichtgroen gesausde; die waar Lutgerink nu in het kader van een educatieproject met jongeren een dans instudeert. Hij staat in het midden, omringd door wapperende ledematen. Kort daarop krijgen de kids een video te zien met 'de making of' Bouwmeester Solness. Ibsen schreef het stuk in 1892, zegt Koen in de camera.

Bert Luppes is de bouwmeester - bouwmeester, geen architect, zo bepaalde Ibsen. Maar Solness verstaat zijn vak, hij is een kunstenaar. Met de jaren echter, vreest hij de concurrentie van de jongere generatie, wordt hij heen en weer geslingerd tussen schuldgevoel en angst en blinkt hij uit in manipulatief gedrag. En dan komt Hilde (Carola Arons) in zijn leven. Een bepaald Ibsense heldin, ongrijpbaar, raadselachtig, en enigszins duister. Koen: 'Ze kickt op spanning. Het is als een aankondiging van het vitalisme, nieuw voor die tijd: je voelt pas dat je leeft wanneer je in een snelle auto rijdt, zoiets. Wat drijft haar? Dat weet ze zelf niet en dat weet de schrijver ook niet helemaal. Denk ik. Als hij het zou gaan uitpluizen, is het raadsel weg en daarmee de angel uit het stuk.

'Solness intrigeert door zijn gemanipuleer. Dat heeft te maken met het feit dat de maatschappij kunstenaars nodig heeft als idool. Er wordt bijna van ze verwacht dat ze zich schofterig, onberekenbaar charismatisch gedragen. Hun omgeving misbruiken, zich steeds meer ruimte toeenen. En dan denk ik: laat het kunstenaarsschap maar excelleren, ook! Mensen mogen best met hun kop boven het maai-

Meer over