‘We zijn kindonvriendelijk land’

Vijftig jaar geleden was het heel normaal dat kinderen naar de kostschool gingen, zegt oud-kinderrechter Van der Reijt. Daarna werd opvoeding een strikte privé-aangelegenheid....

In de jaren zeventig zat Frans van der Reijt in het bestuur van een jongensinternaat in Tilburg. Binnen een jaar zaten er geen honderd jongens meer in het tehuis, maar veertig. ‘Het liep leeg. De internaatmarkt stortte in elkaar.’

Er was een omslag in de opvatting over de opvoeding van kinderen, zegt Van der Reijt, inmiddels gepensioneerd kinderrechter. ‘Vijftig jaar geleden ging iedereen op zijn 12de naar kostschool, dat was heel normaal. Nu hechten we meer waarde aan het privé-gezinsleven, prima, maar het gevolg is wel dat er nauwelijks nog fatsoenlijke opvang is voor jongens en meisjes van die leeftijd. De tehuizen waar moeilijke kinderen stevig aangepakt werden, zijn verloren gegaan.’

Van der Reijt vindt het een slechte zaak dat er nauwelijks opvang is voor jongeren met problemen, behalve de zware gesloten inrichtingen. ‘Met een puberjongen die het niet goed doet op school en die op straat wiet rookt, kan het in een omgeving met een beetje meer structuur best in orde komen.’ Maar hij pleit er vooral voor dat deze kinderen op nog jongere leeftijd worden geholpen.

De oud-voorzitter van de landelijke werkgroep kinderrechters spreekt er vandaag over op een congres in Amsterdam. Hoe kunnen we kinderen helpen met wie het thuis niet goed gaat? Zijn grootste zorg ligt bij de kleintjes. ‘Tussen 0 en 4 jaar zijn kinderen zo kwetsbaar. Als er dan mishandeling of misbruik plaatvindt, gaat het ook goed fout. Maar ook verwaarlozing kan desastreus zijn.’

Nederland vindt hij maar een kindonvriendelijk land geworden. Van der Reijt, die 25 jaar advocaat was voordat hij in de jaren negentig tot de rechterlijke macht toetrad, windt zich op. ‘Opvoeden is een puur particuliere aangelegenheid geworden. We zien jonge kinderen niet meer als een verantwoordelijkheid van de hele samenleving. We helpen ouders met jonge kinderen op geen enkele manier bij de opvoeding.’

De logische reactie van de ouders op deze mentaliteit is volgens Van der Reijt: ‘Dan heb je ook niks met mijn kind te maken. Elke bemoeienis van de maatschappij wordt gezien als een bedreiging.’

Met de meeste kinderen gaat het in Nederland gelukkig goed. Maar er zijn duizenden kleine kinderen die thuis in heel serieuze moeilijkheden verkeren. Bij die gezinnen verschijnt de Raad voor de Kinderbescherming pas als het helemaal mis is. ‘Die komen het kind afpakken, zo voelen ouders dat.’

Fout, aldus Van der Reijt. Hij verwijst naar het systeem van kinderbescherming in Groot-Brittannië, waar een gemeentelijke dienst verantwoordelijk is voor de ondersteuning van jonge ouders. ‘Als het goed gaat in een gezin, is dat prima. Maar zo gauw er signalen komen bij een lerares, een politie-agent, een huisarts of een buurvrouw dat er iets mis is, moet dat worden gemeld en volgt hulp, na overleg van alle partijen.’

In Nederland maakte Van der Reijt bij de kinderbescherming een paar ingrijpende reorganisaties mee. Inmiddels heeft niemand meer de regie, vindt hij. Hij schetst een somber beeld: ‘Het meldpunt kindermishandeling doet onderzoek, maar helpt niet, vervolgens doet de Raad voor de Kinderbescherming onderzoek en helpt evenmin, dan komt er een gezinsvoogd die de hulpverlening coördineert, maar zelf niet mag helpen. En daarna komt het kind op een wachtlijst.’ Met dit systeem kunnen we onze kinderen niet goed beschermen, meent Van der Reijt.

Meer over