We fantaseren over Zwitserse meren

Voormalig Volkskrant-journalist Fred de Vries woont in Asmara, Eritrea, waar zijn vrouw ambassadeur is. Als het geregend heeft, ziet het er allemaal heel anders uit....

De zon is te fel. Het is te heet. En het is te droog. Zo droog dat het lijkt alsof alles bij de geringste aanraking zal verpulveren. Mijn medepassagier praat onophoudelijk over wat er onderweg te zien is. Een orthodox klooster. Eens een Italiaanse proefboerderij. Een kapotgeschoten Ethiopische tank. Als het geregend heeft, zegt hij, ziet het er allemaal heel anders uit. Ik zeg dat me dat plausibel lijkt, en ik rij.

Bocht na bocht. Kilometer na kilometer. Uur na uur. Alles ziet bruin: de heuvels, de bergen. Grijs: de ezels, de weg. En blauw: de lucht. Hels blauw. Ik moet denken aan Jack Kerouac en het gevoel on the road te zijn. De eindeloze weg, het gevoel van nietigheid, vertwijfeling, het idee dat wij en onze dromen en daden helemaal niks voorstellen.

We stoppen op het heetst van de dag in Karen, een wildweststadje waar koeien zijn vervangen door kamelen en cowboyhoeden door witte tulbanden. Lunch is bonenprut en Coca-Cola. En dan gaan we weer verder. Nog uren te gaan.

De weg kronkelt niet meer. Sierlijk zwiert hij door het landschap, een drooggevallen rivierbedding met een woud van palmen volgend. Het heuvelbruine heeft plaatsgemaakt voor zandwit. De wind heeft een stofgele filter over het helse blauw gelegd. Spookachtig licht nu. Microscopische zanddeeltjes die zich overal inboren. Zeker veertig graden. Ik denk aan de Eritrese jongens en meisjes die hier in de buurt hun militaire training krijgen en al voor hun ontbijt uren moeten lopen en rennen.

De ramen staan wijdopen. Te veel herrie voor muziek. Mijn medepassagier vertelt me dat het er heel anders uitziet als het geregend heeft. Ik zeg dat me dat heel plausibel lijkt. En ik rij, gehypnotiseerd door het van alle kanten drukkende landschap. Bijna dwars door een wegversperring.

Uren later komen we in Barentu aan, niet ver van de grens met Ethiopië en Sudan. 'Wil je wat drinken?' Ik werk anderhalve liter water weg, waarna mijn hoofdpijn is verdwenen. Ik lees in The Sportswriter van Richard Ford, een boek dat me neerslachtig maakt. 's Nachts is het te warm om te slapen. Alles tegen elkaar openzetten levert een festijn van klapperende ramen en deuren op. Een beginnend griepje heeft zich in mijn keel genesteld. Drijfnat word ik wakker. Ik was me met mineraalwater.

Die dag gaan we nog dieper het inferno van hitte en droogte in. 's Avonds, als we zure pannenkoek met hete saus en lauw bier verorberen, fantaseren we over sappige Nederlandse weilanden en koele Zwitserse meren. Over hoe de kleur groen uit ons perceptiepalet is verdwenen.

Laatste dag. We sjokken door het stof naar Sahel Cafetaria. Een liter water, yoghurt, twee koppen thee met limoen en veel suiker. We sjokken terug. Doodvermoeid ga ik zitten. 'Ik moet wat drinken', mompel ik beschaamd.

Meer over