Watersnoodmuseum in betonnen kist

Ter herinnering aan de watersnoodramp van 1953 is in het Zeeuwse Ouwerkerk een museum geopend. Er was geen nieuwbouw voor nodig....

door Gijs Zandbergen

Vergeleken met wat na de watersnoodramp van 1953 in totaal is uitgegeven, is het een schijntje: zeven ton. Zoveel kost het Museum Watersnood 1953, dat afgelopen dinsdag door staatssecretaris De Vries van Verkeer en Waterstaat nabij het dorpje Ouwerkerk op Schouwen-Duiveland is geopend.

Aan de financiering, grotendeels afkomstig van de overheid en lokale sponsors, schort nog vijftigduizend gulden, onthulde voorzitter Ria Geluk van de stichting die het museum beheert. Erg veel zorgen leek zij zich niet te maken. Tijdens proefopenstelling in de nazomer van vorig jaar wisten vierduizend mensen het zestig meter lange, een tikkeltje scheef in de bodem weggezakte museum te vinden.

Scheef weggezakt - dat is meteen het geheim van de lage kosten van het watersnoodmuseum. Het is gevestigd in een van de caissons, waarmee in 1953 de gaten in de dijk van de Oosterschelde werden gedicht. Het museum is een betonnen bak: 60 meter lang, 19 meter breed en 19 meter hoog, vijf meter steken boven de grond uit.

Tot voor enkele jaren waren de caissons vooral een plek voor jongeren om te vrijen of te donderstralen. De bovenkant was kapot en met een beetje moeite kon je naar binnen. Daar viel niks te beleven, maar het was er donker en spannend. Aan de achterkant is op de buitenmuur nog wat graffiti te vinden.

De caissons, oorspronkelijk bedoeld voor het aanleggen van een haven in zee ten behoeve van de geallieerden, toen zij in 1944 in Normandië landden, lagen jarenlang in Engeland te wachten op de sloper, tót in de nacht van zaterdag 31 januari op zondag 1 februari 1953 de dijken in het zuidwesten van Nederland doorbraken.

Ruim achttienhonderd mensen in Zeeland, Noord-Brabant en Zuid-Holland lieten het leven en met hen twintigduizend koeien, twaalfduizend varkens, 1750 paarden en 2750 schapen en geiten en 166 duizend kippen en eenden. Nadat de storm was gaan liggen, bleek dat 133 duizend hectare land onder water stond en dat 47 duizend gebouwen waren verwoest, waarvan tienduizend onherstelbaar.

In de daaropvolgende maanden kwam de hulp op gang en in de zomer van 1953 werden de caissons vanuit Engeland overgevaren om tot zinken te worden gebracht op de plaatsen waar de dijken waren doorbroken. Daarna werden ze opgevuld met zand en stenen, zodat ze onwrikbaar op hun plaats bleven en kon er worden begonnen met het droogmalen van het land.

Een van de laatst neergelaten bakken is sedert dinsdag het Watersnoodmuseum. Aan de buitenkant lijkt het op een enorme bunker zonder ramen, met aan de kopse kant een toegangsdeur. De eenvoud die de buitenkant uitstraalt, geldt ook voor de binnenkant. Het licht valt door koepels in het dak naar binnen en waar nodig doet elektriciteit de rest. Er zijn geen kunstzinnige muur- of dakversieringen. Er ligt geen parket op de vloer, maar straatstenen, wit zand en een houten plankier, waarover de bezoekers naar het achterste gedeelte van het museum kunnen lopen.

Daar staan de originele werktuigen die bij de wederopbouw zijn gebruikt, zoals een vrachtauto, een dragline, een treintje met kiepwagons en een dijkwerkershokje. En er ligt een doorsnede van een dijk.

Voorin het museum staat het fijnere spul: een interieur van een Zeeuwse huiskamer anno 1953, een maquette van de streek, een kunstwerk met de namen van alle slachtoffers, en veel foto's.

De museumstichting heeft de inrichting bewust sober gehouden, want zij vindt - ook bijna vijftig jaar na de ramp - geen aanleiding om uitbundig te doen. Dat geldt des te sterker in de dorpjes Ouwerkerk en Nieuwerkerk, waar de watersnoodramp aan eenzesde deel van de totale bevolking het leven kostte, ruim 250 mensen.

Toch waakt de Stichting Caissons Ouwerkerk, ervoor zich niet té lokaal te profileren, want het caisson is het enige Zeeuwse museum dat zich specifiek op de watersnoodramp richt. Een eind verder naar het westen ligt naast de Oosterscheldedam weliswaar het werkeiland Neeltje Jans, waar óók informatie over de ramp te vinden is, maar op Neeltje Jans is de expositie nadrukkelijker op de Deltawerken gericht, terwijl in Ouwerkerk de menselijke maat en de de aanleiding tot de Deltawerken centraal staan.

Meer over