Wat kost dat kreng?

Als puber schilderde hij het abstracte werk van Ellsworth Kelly na, nu kóópt hij het. Joop van Caldenborgh, industrieel te Wassenaar, is de grootste verzamelaar van moderne kunst in Nederland, en heeft genoeg voor 'een klein museumpje'....

Door Anne van Driel

Laatst nog. Dacht ie verdorie toch dat hij hem eindelijk had gevonden: het schilderij dat hij al zo'n vijftig jaar met zich meedraagt: híer, in zijn hoofd. Een landschapje met een berg. Met van die typische boompjes, die typische kleurtjes.

Een Cézanne. Zijn Cézanne.

Joop van Caldenborgh (62) zakt onderuit in zijn royale, leren clubfauteuil. Twaalf was hij, toen die Cézanne boven zijn bed hing. Uitgeknipt uit een tijdschrift . Net als de andere kunstwerken waarmee hij zijn kamer behing.

Dat plaatje is kwijt. En sindsdien is hij op zoek. In de talloze musea die hij overal ter wereld aandoet - 'als het kan tijdens zakenreis, als het lukt in het weekend'. In de duizenden kunstboeken die inmiddels de wanden bedekken, in de gelambriseerde studeerkamer van zijn villa in Wassenaar.

Maar laatst dacht hij er dan toch voor te staan. Even maar. Een zalige fractie van een seconde. 'Ik wéét dat ik hem onmiddellijk zou herkennen. Maar misschien ben ik wel zo geobsedeerd dat ik hem nooit meer vind.'

Een uitzondering, die Cézanne. Vaak komt het niet meer voor dat Van Caldenborgh de wereld afschuimt louter om een kunstwerk te bekijken. De directeur-eigenaar van chemieconcern Caldic (producent en distributeur van chemicaliën voor onder meer antivries en autolak), bestuursvoorzitter van Stichting Museum Boijmans Van Beuningen en lid van vele andere besturen in de Rotterdamse kunstsector - die kóópt vooral. Hij is de grootste verzamelaar van moderne kunst in Nederland. Zeker. Het Amerikaanse tijdschrift Artnews tipte hem zelfs als een van de tweehonderd belangwekkendste collectioneurs wereldwijd. Tel daarbij op dat de grootindustrieel (met een geschat eigen vermogen van 220 miljoen euro) op de zeventigste plaats van de Quote 500 staat, de lijst van rijkste Nederlanders, en je hebt een voedingsbodem voor de wildste geruchten. Op 2500 tot soms wel twintigduizend kunstwerken wordt de omvang van zijn collectie geschat.

Van Caldenborgh glimlacht: 'Ik heb genoeg voor een klein museumpje.' En daarmee is alles over dit onderwerp gezegd.

Een alleseter, wordt hij wel eens spottend genoemd. Want van fotografie tot tekeningen, schilderijen, sculpturen, installaties, video's én kunstenaarsboeken - Van Caldenborghs verzamelwoede kent geen grenzen. Niet in periode (hij heeft werk van Rineke Dijkstra, maar even zo goed van George Hendrik Breitner). Niet in geografie (al ligt de nadruk op Europa en Amerika). En naar het zich laat aanzien kent ook het budget nauwelijks een limiet.

Elk jaar koopt hij in binnen- en buitenland voor vele honderdduizenden euro's kunst aan - 'allang veel te veel om nog in huis te kunnen hebben'. En dus organiseert hij regelmatig tentoonstellingen in het Rotterdamse kantoor van Caldic, de multinational die hij op 29-jarige leeftijd oprichtte. 'Een échte verzamelaar', zegt een conservatrice die jaren voor de Caldic Collectie werkte. 'Impulsief, gedreven. En met een sterke eigen wil.' Híj beslist. Bij aankopen, bij exposities. Daar komt geen adviseur aan te pas.

Maar wat hem drijft, hoe hij kiest, en waaróm? Ze grinnikt. 'Eerlijk gezegd is hij voor mij nog steeds een raadsel.'

Het is half acht 's avonds wanneer de bedrijfslimo met chauffeur landgoed Clingenbosch opdraait. Van Caldenborgh, net klaar van werk, wijst vanaf de achterbank naar donkere hoekjes langs de kronkelige, kilometerlange oprijlaan. 'Kijk, dáár: een Sol Lewitt. Kun je hem wel zien?'

Het bezoek wordt door een relatief leeg huis getroond - 'ik hou niet van een hele wand vol' en bovendien: 'een groot deel is nu weg, voor de tentoonstelling in Boijmans'. Langs een materieschilderij van Bram Bogart en een teer schilderijtje van Jan Sluijters. Naar de vakkundig gepenseelde Willinks en de vensterbank vol foto's van zijn echtgenote en zes kinderen, in de studeerkamer waar Van Caldenborgh in zijn Chesterfield ploft.

'Een raadsel?' Hij bulderlacht. Ach, het is hem bekend: 'Mensen denken: een zakenman met een stropdas, die zal wel in oude meesters geïnteresseerd zijn.'

En men heeft wel vaker moeite met de extremen die hij in zich verenigt. Hoe zijn passie voor kunst valt te rijmen met die typische Van Caldenborgh-nonchalance ('Wat kost dat kreng?') bijvoorbeeld. Of hoe hij zowel van strenge abstractie als van doorleefde figuratieve kunst kan houden.

Bovendien, voor een recht-voor-zijn-raap-type liet hij zich in het verleden maar spaarzaam uit over zijn passie ('Ik trad het liefst helemaal niet in de openbaarheid, ook niet voor mijn werk') En nóg. Vraag Van Caldenborgh naar zijn meest dierbare kunstwerk, en je krijgt als antwoord: 'Dat is privé.'

Zestien was hij, zoon van een Haagse gemeenteambtenaar, toen hij zijn eerste kunstwerk aanschafte: een zeefdruk van computerkunstenaar Peter Struycken, van het geld van zijn krantenwijk. Thuis hing geen kunst aan de muur, als puber dwaalde hij uren door het Haags Gemeentemuseum. De abstracte schilderijen van Ellsworth Kelly, die hij in tijdschriften vond, schilderde hij thuis na. 'Gelukkig ben ik nu in de positie om echt werk van hem te bezitten.'

Hebberigheid, zegt hij. 'Een kwalijke eigenschap, maar als je zoveel verzamelt als ik kun je het moeilijk ontkennen.' Want genieten is: het voor jezelf hebben, ernaar kíjken. Naar het materiaal, hoe iets gemaakt is. 'Verstild. In rust.' En genieten kan Van Caldenborgh van véél, zo blijkt uit de catalogi die hij uitgeeft bij de Caldic-tentoonstellingen (niet te koop, de bezoeker krijgt ze gratis): van Vincent van Gogh tot Jeff Koons, van Donald Judd tot Damien Hirst, van Man Ray tot Inez van Lamsweerde.

'In der Beschränkung zeigt sich der Meister', lacht Van Caldenborgh. Maar hij kent die beperking niet. Mensen die louter Mesdag verzamelen? Fantastisch werk. Maar hém zou het mateloos vervelen. Bovendien, hedendaagse kunst laat zich niet vangen in één medium, één stijl. 'Kunst is een uiting van het leven, en het leven is afwisselend, godzijdank.'

En misschien zegt die veelzijdige verzameling ook iets over hem zelf. Hij hóópt het maar. Niet dat ie maar raak koopt ('met CoBrA of de Duitse Wilden heb ik niet zoveel'). Maar hij kan evenveel genieten van minimal art of nulkunst ('die voorkeur voor abstractie zal wel iets met mijn mathematische mind te maken hebben') als met de reeksen zelfportretten van Philip Akkerman - een kunstenaar die hij op de opening van een tentoonstelling overrompelde met de vraag: 'U doet dit als sinds de jaren tachtig? Dan wil ik sinds die periode werk van u hebben.'

Van Caldenborgh kocht vijftig doeken in één keer.

Recht voor zijn raap - hij waardeert het ook in kunstenaars. 'Heel vaak ontdek ik dat als ik een kunstenaar goed vind, en hem dan later ontmoet, dat die dat ook heeft.' Zoals Akkerman over kunst kan praten. Karel Appel. Of lees de brieven van Van Gogh. 'Die maken er niets opgeblazens van, die praten acceptabel nonchalant'.

Hij vindt: doe maar gewoon met kunst. Dat ligt 'nu eenmaal in de aard van het beestje': een zakenman verloochent zich niet. Natúúrlijk onderhandelt hij over geld, niet bij de kunstenaar, wel in de galerie. 'En ik kijk snel. Ik beslis snel, ik wikkel dingen snel af. Niet dat ik nooit twijfel, maar ik heb al heel gauw dat ik zeg: ''Ik heb het gezien, dit is het niet, dat is het wel.'' En dan blijf ik wat langer dralen. Maar een galeriebezoek kan kort duren, van een seconde tot een minuut. Dan sta ik zo weer buiten.'

Take it or leave it. Het intereseert hem niets wat anderen daarvan mogen vinden. Net zo min als hij hoeft te weten wat zijn werknemers van de kunst op kantoor vinden. Als ze het waarderen, is het meegenomen. 'Laatst had ik een sollicitant op gesprek die dondersgoed wist wat ik met kunst doe.' Hij vroeg de man wat hij van kunst vond. Die antwoordde: 'Daar heb ik echt he-le-maal niks mee.'

Van Caldenborgh: 'Ik hem direct aangenomen. Haast daaróm.'

Maar denk nu niet dat achter die nonchalance geen gevoel, geen kennis schuilgaat. Want elk weekeinde geven de conservatoren van de Caldic Collectie hem informatie mee - catalogi, uitnodigingen, boeken, recensies. 'Soms vier koffertjes vol.' Naast zijn jachtige bestaan als directeur van een multinational met achttien vestigingen in negen landen, zegt hij, geeft de kunst hem iets rustigs. Die koffertjes, daar kan hij uren mee bezig zijn. 'Verdwaald in zijn. Wég van de wereld. Verdoofd.'

Die kennis van particuliere verzamelaars, zegt hij desgevraagd, mag door de Nederlandse museumwereld wel wat meer worden gekoesterd. Zélf heeft hij met museum Boijmans Van Beuningen niets te klagen, maar toch: 'Musea hebben soms het idee: ''Wij weten het als enige.'' In de Verenigde Staten doen ze het wat dat betreft beter. En dan bedoelt hij niet 'een marmeren tablet met de namen van schenkers erin uitgehakt', en ook geen luxe dinertjes. Dan heeft hij het over wat meer persoonlijk contact ('Betrek ons erbij'). En over een wat zakelijker houding ('Een museum stuurt een brief, als het wat van me wil. Maar als ik dan niet direct reageer, hoor ik er vaak niets meer van').

Heeft hij zelf geen ambities in die richting? Zou Van Caldenborgh niet directeur willen worden van, pak hem beet, Boijmans. Er wordt al gefluisterd dat Van Caldenborg daaraan een groot deel van zijn collectie zal schenken, en bovendien, Chris Dercon vertrekt binnenkort.

Resoluut: 'Nee. Er zijn jongere mensen die dat anders en beter dan ik zouden doen. En ik draag verantwoordelijkheid voor mijn bedrijf. Al zou ik het wel een enige uitdaging vinden. Ik was laatst met Dercon op reis in de staat New York. Daar hebben ze een universiteit met een afdeling waar je voor conservator kunt studeren. We zijn er heel lang binnengeweest. Zó leuk. Ik heb tegen Dercon gezegd: ''Als ik gepensioneerd ben, ga ik dàt doen.'''

Om daarna zijn eigen Van Caldenborghmuseum op te richten?

'Nogmaals, het antwoord blijft nee. Nog steeds nee. Omdat ik geen neiging heb tot concurrentie. Er is al zoveel. En omdat mijn ideeën daarover nog niet concreet zijn.'

Maar waarom verzamelt hij dan installaties en videokunst, zo groot of onpraktisch, dat ze niet in zijn huis kunnen?

Van Caldenborgh lacht: 'Als ik een schilderij zie, dat mijn huis niet in past, koop ik het óók. Al kan ik het dan nooit zien. Neem de Christopher Wool, die in Boijmans komt te hangen: een goed schilderij, en het heeft wat gekost. Maar zelfs voor ons kantoor blijkt het te hoog te zijn. So what? Die beperkende gedachte heb ik niet. Waarom moet ik die nou hebben?

'Bij kunst moet je stoppen met praktische gedachten. Je moet stoppen daarover na te denken. Dat wíl ik niet. Als ik kunst koop, dénk ik niet meer praktisch. Als ik dat schilderij wil zien dan kan ik naar de opslag en er een tijdje voor gaan zitten, als ik dat zou willen. Vroeger, toen ik meer tijd had, deed ik dat ook wel eens.

'En wie weet creëer ik ooit nog wel eens iets voor die grote dingen. Maar als ik zeg dat ik iets creëer, hoeft dat nog geen museum te zijn.'

Wat dan wel? Van Caldenborgh slaat zijn benen over de armleuning van zijn Chesterfield, en begint enthousiast te vertellen. Over de verzamelaarster Ingvild Götz, die achter in haar grote tuin nabij München een paviljoen heet laten bouwen door het Zwitserse architectenbureau Herzog & De Meuron. Een lange houten doos, van de grond gescheiden door een band van opaline-wit glas, en een glazen gevel aan de bovenzijde. 'Prachtig, klein en sober', zegt Van Caldenborgh. 'Met de kunst deels boven en deels onder de grond. O, het is zó mooi. Wáánzinnig prachtig. Overal moet aan de gulden snede zijn gedacht. Daar zou ik me wel iets bij kunnen voorstellen.'

In dat paviljoen, dat op afspraak voor publiek toegankelijk is, toont Götz steeds delen van haar collectie. 'Soms één kunstenaar, soms vier. Ze verzamelt gewoon allerlei dingen die ze goed bij elkaar vindt passen. Maar ze heeft geen ambitie om een museum te zijn. Ik kan haar heel erg goed volgen. Götz heeft precies díe ambitie waarvan ik zeg, dat is het nu.'

Nee, hij spiegelt zich niet graag aan andere personen. 'Maar als ik me al zou mogen vergelijken, dan zou ik zo'n verzamelaar willen zijn. En dat is bescheiden genoeg.'

Meer over