Wat is er gebeurd met grunge?

Voor Menno Pot- boze puber in het doodsaaie Heerenveen - sloeg grunge begin jaren negentig in als een bom. Eindelijk een stroming voor zíjn generatie. Wat resteert twintig jaar later van deze muziek?

Curt Cobain, de zanger van Nirvana, in 1992. Beeld afp
Curt Cobain, de zanger van Nirvana, in 1992.Beeld afp

Die videoclip alleen al, in al zijn goedkope eenvoud: een langharig ragbandje treedt op in de stoffige gymzaal van een school, een conciërge schuifelt rond met een bezem, maar lijkt nauwelijks te beseffen dat het publiek om hem heen steeds gekker wordt en langzaam maar zeker de tent afbreekt.

En dan de muziek: de coupletten ademen landerigheid en verveling, 'oh well, whatever, nevermind', maar ondertussen voel je de opgekropte razernij al borrelen, je voelt dat het in een furieus schreeuwrefrein tot een eruptie gaat komen.

'Here we are now, entertain us!', woorden en gitaarriffs als mitrailleurvuur. Word daar maar eens níet door gegrepen als je 16 bent en vindt dat je op de saaiste plek ter wereld bent geboren: vwo-scholier in Heerenveen, verveeld tot op het bot en vooral bóós, zoals pubers dat kunnen zijn, redeloos en richtingloos, razend op de gevestigde orde, op iedereen.

Het was november 1991, ik keek tijdens een logeerpartij in Amsterdam naar MTV (dat bij ons in Friesland natuurlijk niet in het kabelpakket zat) en wist: deze band snapt het, dit gaat over mij. Nog diezelfde middag kocht ik Smells Like Teen Spirit (op cassettesingle!) en de volgende dag het album Nevermind, twee aankopen waarmee ik (nu twintig jaar geleden) bijdroeg aan het ontstaan van een korte maar zeer hevige rage rond Nirvana en het fenomeen grunge.

Ik was er niet bijzonder vroeg bij. Nirvana debuteerde al in 1989 met een album (Bleach) dat mij als 14-jarige totaal was ontgaan. Teen Spirit en Nevermind waren ook al twee maanden uit, maar ik was er nog niet mee in aanraking gekomen. Ik hoorde tot de grote stroom tieners die Nirvana ontdekte in de loop van november, toen de MTV-airplay toenam en in de VS een doorbraak op til was.

Uit de Amerikaanse underground afkomstige bands waren in de jaren daarvoor altijd tot onafhankelijke labels en kleine radiostations veroordeeld geweest, maar Nirvana had de ambitie opgevat dat te veranderen: de songs op Nevermind klonken rauw en 'alternatief', maar hadden haast Beatle-eske popmelodieën en waren van een glasheldere, toegankelijke productie voorzien.

Het sloeg in als een bom: nooit eerder had een undergroundband de deur naar de mainstream zo resoluut ingetrapt. Op 30 november 1991 kwam Teen Spirit de Nederlandse Top 40 binnen, en Nevermind de albumlijsten. Vanaf dat moment ging het hard: Teen Spirit haalde de topdrie, tegen Kerst werden alleen al in de VS 400 duizend exemplaren per week van Nevermind verkocht.

Op de hekgolf van de doorbraak stroomde nog een handvol andere bands uit de langharige underground-rockscene van Seattle het bewustzijn van het grote publiek binnen: Pearl Jam, Soundgarden, Alice in Chains. Ze zouden in de jaren daarna vele miljoenen albums verkopen.

Ik hoorde tot de miljoenen tieners die 'alternatieve' rock omarmden op het moment dat die term zijn betekenis verloor. Tot dan toe had ik, als kind van 1975, nauwelijks benul van zoiets als 'alternatieve' popmuziek: ik was er, zoals de meeste neo-grungers van 1991, net te jong voor.

Ik was opgegroeid met de rockmuziek van mijn vader (Beatles, Stones, Kinks, Who) en snakte naar een rockstroming die werkelijk iets betekende voor míjn generatie, maar ik vond niets. Queen en Guns 'N Roses kon je bewonderen, maar ze waren te groot en te stoer om jezelf in te herkennen. Verder waren er veel commerciële afgeleiden van house en hiphop, muziek waaraan jongetjes met een van pa meegekregen gitaarbehoefte instinctief een hekel hadden.

Nu was het er ineens: rauwe rock die over míj leek te gaan. Op MTV zag je hun videoclips de hele dag, de muziekbladen stonden er vol van en je hoefde op zondagavond maar naar MTV-programma's als 120 Minutes en Headbanger's Ball te kijken om de ijsberg te ontdekken waarvan Nirvana het topje vormde: Mudhoney, Screaming Trees, Love Battery, TAD - minder toegankelijk maar vanwege de koninklijke goedkeuring van Kurt Cobain het ontdekken waard. De bands bleken allemaal uit Seattle en omgeving te komen en al jaren te bestaan, net als de verzamelterm grunge.

Die term was een lastige, want stilistisch was hij breed: Nirvana koppelde punkintensiteit aan popmelodieën, Pearl Jam neigde meer naar seventies rock, Soundgarden en Alice in Chains zelfs naar hardrock en metal. Screaming Trees en Love Battery klonken psychedelisch, Mudhoney was punk vermengd met Stooges-achtige garagerock.

Grunge kon puntig en melodieus zijn, maar ook zompig en uitgesponnen. Van oudsher onverenigbare rockgenres als hardrock en punk, in de jaren zeventig vijandige reacties op elkaar, waren in de alternatieve scene van Seattle blijkbaar loten aan dezelfde boom: jongens als Kurt Cobain hielden van 'Sabbath' én de Ramones, van KISS én The Stooges.

De rage was vooral geografisch bepaald: grunge kwam uit de staat Washington, veelal uit Seattle, maar het mocht ook Olympia, Tacoma, Aberdeen of Montesano zijn.

Die eenheid van plaats was een van de dingen die grunge zo onweerstaanbaar maakte: voor een tiener uit Heerenveen waren de grungebands lotgenoten. Ook zij kwamen uit een afgelegen, noordelijke stad waar weinig te doen was. Ze wisten wat het was om zich kapot te vervelen in stadjes waar niemand hun muzikale hunkering leek te begrijpen. Ze waren provincialen, net als ik.

Kurt Cobain, Stone Gossard van Pearl Jam, Mark Arm van Mudhoney, ze hebben het allemaal gezegd: grunge was muziek van binnenzitters, muziek uit een streek waar het koud, winderig en nat is. Het was ook muziek van zelfverklaarde losers: Seattle was de stad van Microsoft en Boeing, waar relatief veel jongeren snel carrière maakten. De cijfers over de jeugd in Seattle gaven dat ook aan: veel jonge, geslaagde zakenlui, maar ook veel depressie, zelfmoord en verslaving onder de verliezers.

Grunge was het geluid van de tweede categorie: het lawaai van de jongens die het níet hadden gemaakt. Met die antihelden wilde je vrienden worden, als zoekende puber uit het Nederlandse equivalent van de staat Washington.

De Seattle-muzikanten kenden elkaar, ook dat sprak tot de verbeelding: ze speelden in elkaars bands, gingen samen op tournee, stonden in de jaren voor de grote doorbraak vooraan te pogoën bij elkaars optredens. Je had als fan het gevoel toe te treden tot een clan van bloedbroeders. De scene was als een familiestamboom. Het in 1988 uiteengevallen Green River bleek een vroege sleutelband: de ene helft (Mark Arm en Steve Turner) richtte Mudhoney op, de andere helft (Stone Gossard en Jeff Ament) voegde zich bij de flamboyante Andrew Wood in Mother Love Bone, de band die zou uitgroeien tot Pearl Jam.

Wood deelde een appartement met Chris Cornell, frontman van Soundgarden. Nirvana 'leende' de drummer van Mudhoney. Leden van Pearl Jam en Soundgarden werkten samen in Temple Of The Dog. Vrijwel alles concentreerde zich rond het kleine platenlabel Sub Pop.

Van de zwart-witte concertfoto's van 'scene-fotograaf' Charles Peterson kon je ook goed afkijken hoe je er als rechtgeaarde grunge kid bij hoorde te lopen. Je haar kon je lang laten groeien (verder niks meer aan doen), terwijl je garderobe hoorde te bestaan uit versleten en gescheurde spijkerbroeken, legerkistjes, afgetrapte Converse All-Stars en geblokte, flanellen houthakkershemden.

En T-shirts van bands natuurlijk, bij voorkeur gedragen óver een katoenen shirt van een afwijkende kleur, waarvan de lange mouwen onder het bandshirt uitstaken. Dat kwam allemaal heel precies. Naar een concert droeg je geen T-shirt van de optredende band, maar een oud T-shirt van een verwante band, of een voorloper: een Green River T-shirt naar Mudhoney, een Mother Love Bone-shirt naar Pearl Jam, een Skin Yard-shirt naar Soundgarden. In Paradiso of de Melkweg kon je op basis van iemands T-shirt vaststellen of hij 'deugde'.

Zo werd een kledingstijl die in Seattle uit geldgebrek was ontstaan de mode van een wereldwijde subcultuur, met strenge impliciete regels. De looks van Nirvana en Pearl Jam inspireerden in de jaren na 1991 zelfs Parijse en New Yorkse couturiers. Op catwalks en in glossy's dook peperdure ontwerpersmode op die zich 'grunge' noemde. De uiterlijke kant van een provinciale en a-modieuze rockstroming was big business geworden.

De overstelpende aandacht van fans, muziekindustrie en media viel de bands rauw op het dak. Al snel konden ze konden het 'g-woord' en het gedweep met Seattle niet meer uitstaan. 'Everybody loves us, everybody loves our town', sneerde Mudhoney in Overblown. 'That's why I'm thinkin' lately: time for leavin' is now!/ It's so overblown.'

De doorbraak van grunge luidde vrijwel automatisch ook de tragische neergang in. Miljoenen fans omhelsden in 1991 een Seattle-scene die eigenlijk al niet meer bestond. In de prachtige documentaire Pearl Jam Twenty vertellen Ament, Gossard én Soundgarden-frontman Cornell, nog altijd zichtbaar geëmotioneerd door de herinneringen, dat de scene zijn onschuld in één klap verloor toen hun bandmakker Andrew Wood van Mother Love Bone bezweek aan een overdosis drugs.

Er was veel verslaving in de Seattle-scene; Wood was het eerste slachtoffer. Zijn dood maakte volgens de betrokkenen een einde aan de gemoedelijke jaren, anderhalf jaar vóór de mondiale uitbraak van het grungevirus. De ongedwongen saamhorigheid verdween, zeker toen de muziekindustrie Seattle 'ontdekte' en de belangrijkste bands contracten bij grote labels tekenden.

Wij, Europese 16-jarigen van 1991, kenden die voorgeschiedenis niet, maar zouden in de jaren na de doorbraak met de grimmige en zelfdestructieve kant van de grunge geconfronteerd worden. Veel kopstukken hadden het moeilijk met hun nieuwe status, grepen naar verdovende middelen als heroïne en gingen grimmige, sombere muziek vol vertwijfeling maken. Kurt Cobain, zijn verloofde Courtney Love van Hole, Mark Lanegan van de Screaming Trees en Layne Staley van Alice in Chains zouden de beroemdste junkies worden, maar ze waren niet de enige.

De Seattle-scene die wereldberoemd werd, was al een stuk zwaarmoediger dan de 'originele' scene uit de jaren vóór 1990. De jonge fans namen de sombere houding over, projecteerden hun eigen adolescententwijfels erop.

Die alomtegenwoordige grimmigheid is achteraf bizar, want wat hadden we nou helemaal te klagen? Met de wereld ging het bepaald niet slechter dan nu, maar in vergelijking met jonge fans van zorgeloze hedendaagse bands als Franz Ferdinand, Vampire Weekend en Arctic Monkeys zagen veel grungefans popmuziek in 1991 als bittere ernst. Rockmuziek moest over angst, woede en twijfel gaan; luchtigheid was verdacht.

Wie nu op een festival als Lowlands rondloopt, weet zich omringd door gelijkgestemden die zin hebben in feest: beetje rock, beetje dance, beetje hiphop, kruisbestuivingen in alle kleuren van de regenboog. Hoe meer smaken, hoe meer vreugd. Het was in de grungetijd ondenkbaar: eenkennigheid was de norm. Muziek was politiek: wie voor grunge koos, was vóór outcasts en dwarsliggers, tégen strebers en carrièremakers, vóór serieuze rockmuziek en dus tegen blije computershit. Niet alle rock was goedgekeurd: wie blij werd van een 'commerciële' rockband als Aerosmith of Bon Jovi kon uit grungehoek op onverholen vijandigheid rekenen.

De angst om te mislukken; praatten we het onszelf allemaal aan? Ja, achteraf. Het was de taal die de grungegeneratie overnam van zijn rockhelden: aangepraat en flinterdun, maar intens gevoeld.

Aan de kleine rockscene van het afgelegen Seattle, die zomaar miljoenenbusiness werd en in de felle spots keek als een verstijfd konijntje in de koplampen van een aanstormende auto, kleefde een vreemde tragiek. Het aantal doden en ernstig verslaafden in de scene is te groot om het allemaal als aanstellerij weg te wuiven.

Wat de toekomstige rocksterren in 1990 voelden aan het sterfbed van hun maatje Andrew Wood, voelden wij (jonge grungefans op afstand) op 8 of 9 april 1994, toen het nieuws kwam dat Kurt Cobain zich thuis in Seattle door het hoofd had geschoten.

Gevoelsmatig was het in één klap voorbij, hoewel veel Seattle-bands platen bleven maken. Krap tweeëneenhalf jaar had de rage geduurd en hoewel ik blij ben dat ik als popliefhebber de grimmige eenkennigheid van de grungejaren kwijt ben, gun ik elke jongere een identiteitsbepalende popstroming als grunge, waarvan je je zo intens deel kunt voelen, omdat de boegbeelden ervan zich niet als rocksterren maar als je gelijken manifesteren. Grungebands zongen over en voor hun eigen peer group. Dat verklaart ook waarom het niet lang kon duren: na hun doorbraak hóórden de bands simpelweg niet meer tot die peer group.

Hoe zit het, twintig jaar later, eigenlijk met de muziek? Het meeste van Alice in Chains en Soundgarden komt me in zijn zwaarmoedige somberte gedateerd en vaak lelijk voor, net als TAD en de Melvins.

De punk- en popkant van de grunge heeft de tijd, althans voor mij, beter doorstaan. Nevermind bezorgt me nog altijd kippenvel en een adrenalinestoot. Pearl Jam is de beste live-band die ik ken: geen Seattle-band is zo waardig en innemend oud geworden. De platen van Screaming Trees en Love Battery zijn me nog altijd dierbaar. Mudhoney ook. Die band overleefde en is live beter dan ooit: het ongedwongen plezier van vóór de gekte is gaandeweg hervonden.

We waren niet van plan samen oud te worden, Mudhoney en ik: 'I won't live long and I'm full of rot.' Maar we hebben het toch maar gedaan.

Voor zover bekend werd het woord 'grunge' in 1981 voor het eerst gebruikt om de rauwe rock van Seattle te omschrijven. In een lokaal muziekblad verscheen een brief van ene Mark McLaughlin, die zijn bandje Mr. Epp & The Calculators omschreef als 'Pure grunge! Pure noise! Pure shit!' McLaughlin zou later de artiestennaam Mark Arm aannemen en frontman worden van Green River en Mudhoney.

In Nederland haalden maar twee grungesingles de toptien van de hitlijsten. Nirvana's Smells Like Teen Spirit kwam in de winter van 1991-1992 tot nummer 3. Dissident van Pearl Jam haalde in 1994 de negende plaats, maar geldt niet als een grote hit: de driedelige single verkocht vooral goed omdat hij als 'bonus' het volwaardige live-album Live in Atlanta bevatte.

Grunge-ologie in woord en beeld

1Andrew Wood

Frontman Mother Love Bone, 1966-1990: overdosis drugs.

2Stefanie Sargent

Gitariste 7 Year Bitch, 1968-1992: overdosis drugs en alcohol.

3Kurt Cobain

Frontman Nirvana, 1967-1994: zelfmoord met vuurwapen.

4Kristen Pfaff

Bassiste Hole, 1967-1994: overdosis drugs.

5Layne Staley

Frontman Alice In Chains, 1967-2002: overdosis drugs.

6Mike Starr

Ex-bassist Alice In Chains, 1967-2011: overdosis drugs en alcohol.

De grunge-doden

1Temple Of The Dog: Temple Of The Dog. A&M 1991.

2Love Battery: Dayglo. Sub Pop 1992.

3Screaming Trees: Sweet Oblivion. Epic 1992.

4TAD: Inhaler. Warner 1993.

5 The Posies: Frosting On The Beater. Geffen 1993.

De cultfavorieten

1Nirvana: Nevermind. Geffen 1991.

2Pearl Jam: Ten. Epic 1991.

3Alice In Chains: Dirt. Columbia 1992.

4Soundgarden: Superunknown. A&M 1994.

5Hole: Live Through This. Geffen 1994.

De doorbraakalbums

1Green River: Come On Down EP. Homestead 1985.

2Diverse artiesten: Deep Six. C/Z 1986.

3Melvins: Gluey Porch Treatments. Alchemy 1987.

4Mudhoney: Superfuzz Bigmuff. Sub Pop 1988.

5Mother Love Bone: Apple. Mercury 1990.

De inspirators

The Year Punk Broke, dvd, 1991. Geffen/Universal.

Documentaire over de 'doorbraakzomer' van noiseband Sonic Youth uit New Jersey, die per ongeluk ook de nog veel grootschaliger doorbraak van voorprogramma en labelgenoten Nirvana in beeld brengt. Voor het eerst op dvd.

Nirvana: Nevermind (Super Deluxe Edition), cd/dvd. Geffen/Universal.

Luxe heruitgave van het belangrijkste grungemeesterwerk. Vier cd's met alle B-kantjes, alternatieve mixen, outtakes en livemateriaal, plus een live-dvd. Niet alle bonusmateriaal is even waardevol.

Pearl Jam Twenty, dvd/cd. Sony.

Mooiste rockdocumentaire van 2011. Filmer Cameron Crowe schetst een schitterend, intiem, even vaak hilarisch als ontroerend portret van Pearl Jam, de belangrijkste grunge-overlevers.

Malfunkshun: The Andrew Wood Story, dvd/cd. Hip-O-Select/Universal.

Mooie documentaire over de 'superster' van Seattle, die al dood was voor het feest echt begon, gaat vergezeld van het enige Malfunkshun-album (al goed verkrijgbaar) en een rommelige cd met privéopnamen van Wood.

Pearl Jam Twenty, boek. Atlantic Books.

Het boek van de band zelf: kroniek van twintig jaar Pearl Jam. Schitterend, gebonden naslagwerk met interviews en nooit gepubliceerde foto's.

Stephen Tow: The Strangest Tribe. How A Group Of Seattle Rock Bands Invented Grunge, boek. Sasquatch Books.

Waar de meeste boeken over grunge pas echt beginnen (bij Nevermind in 1991), stopt dit werk, dat gaat over het ontstaan van de Seattle-scene. Zeer verhelderend.

Mark Yarm: Everybody Loves Our Town. An Oral History Of Grunge, boek. Crown Archetype.

Het verhaal van de grungescene in citaten, opgetekend uit de monden van betrokkenen. Zeer inzichtelijk. Soms hilarisch, soms dramatisch; als het grungeverhaal zelf.

undefined

Meer over