Wat een zwamneus

Iemand uit een Pools dorp vertelde mij het volgende verhaal. Het was al het elfde verhaal dat hij vertelde. Man, ik was helemaal gaar van zijn verhalen!...

Hij zei dat ik eruit zag alsof ik van verhalen hield. Ik vroeg hem hoe mensen er dan uitzien die van verhalen houden, maar daarop had die fantast geen antwoord. Hij moest gewoon iemand hebben om tegen te kletsen, vandaar al die complimentjes en vleierijen. En hij begon te vertellen met een stem die was als de aangestreken snaar van een contrabas:

'Een oude man die ik kende zei nooit een woord. Hij zag er het nut niet van in. Hij kwam binnen in ons cafe zonder iets te zeggen. Hij kwam elke dag. Hij zat aan de bar, alleen, en dronk en zweeg, terwijl het haardvuurtje knetterde. Wat een aangenaam vuurtje brandde er soms in onze haard! Maar niet altijd, want hout was schaars en duur. Als hij na vele uren klaar was met drinken en zwijgen - en de lieve heer weet hoe hij kon drinken en zwijgen! - dan stapte hij op, zonder ons te groeten. Hij leek ons een teleurgestelde en bittere man. Wij verdroegen hem, maar wij mochten hem niet. Zo ging het dag in dag uit, jaar in jaar uit. Wij kenden het geluid van zijn stem niet. Zijn huis was het buitenste huis van ons afgelegen dorp. Hij woonde daar zijn hele leven. Naast zijn huis stond de grootste boom die je ooit gezien hebt.'

'Het lijkt me niet goed om je hele leven aan de rand van een afgelegen dorp te wonen', zei ik. Ik weet niet precies waarom ik dat zei, maar het komt wel vaker voor dat ik niet precies weet waarom ik iets zeg. Dat is een eigenschap van mij. De verteller nam geen notie van mijn opmerking, sloeg zijn glas achterover, en vervolgde zijn verhaal aldus:

'Op een dag kwam hij niet, die oude man. Er was storm geweest. De boom bij zijn huis was omgewaaid. Het vallen van de reus maakte zoveel lawaai dat wij dorpelingen de handen tegen onze oren deden. Die oude man, hij keek nu recht de hemel in.'

'Ach,' riep hij, ''wat hebben wij Polen toch een prachtige hemel! Geen enkel volk heeft zo'n prachtige hemel! Wat een gelukkig volkje zijn wij toch' En nadat de verteller nog een flinke slok had genomen en een nieuw glas had besteld, vervolgde hij zijn verhaal op deze manier:

'Een dag later kwam er een vrachtwagen van de houtvesterij. Kranen tilden de boom op de vrachtwagen. De oude man, die zwijger, verscheen in de houtvesterij en kocht de boom voor veel geld, zodat die van hem was. En dat was het laatste wat hij deed, want de volgende dag was hij dood. Wij waren niet blij om zijn dood maar wij waren eerlijk gezegd ook niet verdrietig.'

Zo sprak de Poolse dorpeling en ik wist niet wat ik ervan denken moest. Ik kon er geen soep van koken. Ik dacht: wat voor een idioot vertelt me nou zo'n idioot verhaal? Zeker een Poolse dorpeling! Wat een zwamneus!

'En weet je wat?,' vroeg die Pool toen, terwijl hij zijn sentimenteelste gezicht trok.

'Een week na zijn dood werd er door een vrachtwagen zo'n grote lading hout gebracht bij ons cafe, dat wij genoeg hadden voor dertig winters vuur en warmte.'

Peter Bekkers

Meer over