Wat doen de anderen?

Als je vlucht ben je meestal niet alleen. Wanneer je eindelijk opnieuw een bed hebt, denk je: 'Waar slapen de anderen?'..

's Nachts ging de telefoon. Slaperig pakte ik de hoorn. Een man klonk van heel erg uit de verte, in mijn eigen taal maar met een Engels accent: 'Eindelijk heb ik je teruggevonden. Herken je mijn stem?'

Negen jaar lang had ik niets van hem gehoord. We waren samen het land ontvlucht.

'Ja, waar ben jij eigenlijk?', zei ik.

'Op Vancouver Island, in Victoria.'

Na zo'n telefoontje stap je vroeg of laat in een vliegtuig. Ik vloog naar hem toe.

Inmiddels was hij getrouwd en had een kind dat in een groot ledikant sliep. Hij had een huis gekocht, een groot huis met een grote koelkast waar drie flessen cola van 3.78 liter in konden.

'Wat doe je voor de kost?', vroeg ik.

Hij reed het hele eiland af en gaf computerservice aan alle plaatselijke kranten.

Zijn grote GMC auto en de vijf telefoontoestellen die overal hingen vormden zijn werkplaats.

Constant gingen de telefoons. De ene fax na de andere kwam binnen. Internet deed het even niet. De e-mail was dus buiten gebruik. In plaats van een paar computeronderdelen die hij uit Los Angeles had besteld, had hij een totaal ander pakket binnen gekregen. De hoorn van zijn draadloze telefoon was zoek. En ik zei: 'Vertel eens. Hoe ging het nadat ik je in Pakistan kwijtraakte? Hoe ben je op dit eiland terechtgekomen?'

De babysitter stond voor de deur om zijn zoontje mee te nemen.

Elke keer begon hij: 'Daarna kon ik een vals Portugees paspoort krijgen. Toen vloeg ik naar Koeweit. Van daaruit. . .' Weer belde er een krant op. Een van hun computers deed het niet meer.

Volgens zijn rooster moest hij de computers van alle kranten een jaarlijkse beurt geven. Hij pakte zijn draagbare telefoon en we begonnen een lange reis die alleen heen al veertien uur duurde.

We reden over een smalle weg door een oneindig lijkend bos. We daalden de diepe valleien af tot op de bodem en reden daarna met een gangetje van tien kilometer per uur naar boven. Voor elk plaatsje verscheen eerst een groot bord van McDonald's. We gingen met de auto naar de Placeorder om daar in een lange rij te staan. Waar de andere Canadese mannen met hun grote hoeden en draagbare telefoons in hun auto's stonden te wachten. Bij het Pickup-window ontvingen we twee large de luxe Big Mac-pounders with cheese met ieder een beker van één liter Coca-Cola. Daarna reden we terwijl we aten naar het bureau van één van die kranten.

Hij ging de computers controleren. Daarna reden we verder naar het volgende stadje dat weer ineens na een dal en een berg middenin het bos compleet met McDonald's-bord, in zicht kwam.

Middenin de nacht bereikten we Porthardi, het einde van het eiland. De Pacific hield ons tegen. In de auto hadden we de hele dag het verhaal van onze vlucht verteld. We gingen langs de oever in het donker zitten. In grote stilte keken we naar de oneindige Oceaan. Er vloog geen vogel. Het einde van de wereld. Het einde van de vlucht.

Wat moesten we nou?

Plotseling ging de telefoon.

Kader Abdolah

Meer over