Wat Dijsselbloem niet zei

De overheid, scholen en hun omgeving hebben te veel met elkaar te maken om strikt vast te stellen wie wat hoe moet doen, stelt Rein Zunderdorp....

Rein Zunderdorp

Het is de verdienste van de commissie-Dijsselbloem dat zij de kwaliteit van het onderwijs prominent op de agenda plaatst. Kritiek op het tekort aan budgetten, het ontmantelen van het speciaal onderwijs, het afknijpen van de doorstroming, de gebrekkige responsiviteit van een staatssecretaris en de overdreven zendingsdrang van de ‘uitvinders van het studiehuis’ is terecht.

Maar van een afgewogen eindoordeel over twintig jaar onderwijsvernieuwing is geen sprake. Dijsselbloem gaat op cruciale punten van onjuiste vooronderstellingen uit, neemt onnauwkeurig waar, winkelt selectief in het eigen onderzoeksmateriaal en redeneert naar vooraf bepaalde conclusies.

De kern van de redenering van de commissie is als volgt. De overheid heeft haar kerntaak, het zeker stellen van deugdelijk onderwijs, verwaarloosd. De oorzaak is dat bewindspersonen onsamenhangend en slecht voorbereid vernieuwingsbeleid door het parlement loodsten, gebruik makend van misleiding en oneigenlijke machtsmiddelen. Het parlement kon zich niet effectief verweren en liet de vernieuwingen passeren. Het ‘nieuwe leren’ in de vorm van het studiehuis was de belangrijkste en schadelijkste vernieuwing. Daarnaast was de basisvorming tot mislukken gedoemd. Het onderwijsveld werd niet bij de voorbereidingen betrokken. Procesmanagers drongen buitenwettelijke didactische werkwijzen op, daarin gevolgd door onderwijsadviescentra en uitgevers. Vervolgens zijn de vernieuwingen ofwel mislukt en teruggedraaid, ofwel ‘geslaagd’ met rampzalige gevolgen. De kwaliteit van het onderwijs is dramatisch laag, ook in internationale vergelijking. En het vertrouwen in het onderwijs en tussen overheid en onderwijs is ernstig geschaad.

In werkelijkheid heeft de overheid haar kerntaak niet verwaarloosd, maar overijverig uitgevoerd. Komen vernieuwingen niet bij de politiek vandaan, maar bij de voorlopers uit het onderwijs zelf. Heeft het parlement niet passief de voorstellen aanvaard, maar de voorstellen zodanig gewijzigd dat ze moeilijk uitvoerbaar werden. Vormde niet het nieuwe leren maar de nieuwe inhoud en de nieuwe organisatie de hoofdzaak van de veranderingen. Werd de basisvorming niet op één niveau aan de leerlingen aangeboden, maar binnen de gehandhaafde verschillende schooltypen en met verschillende edities van schoolboeken. Werden de scholen door procesmanagers, vakorganisaties en schoolbesturen bij de ontwikkelingen betrokken, maar stond de politiek onvoldoende open voor de praktijksignalen die daaruit voortkwamen. Is het leraarschap eerder een ambacht dan een professie, waardoor een groot deel van de analyse op drijfzand berust. Is de basisvorming niet ‘mislukt en afgeschaft’, maar na evaluatie aangepast in ‘de nieuwe onderbouw’. Werken de profielen in havo/vwo niet als goede voorselectie voor het hoger onderwijs, maar zijn wel geaccepteerd. Is het studiehuis als werkwijze inderdaad overdreven gepromoot, heeft daarbij eerder onder leraren dan onder leerlingen slachtoffers gemaakt, maar is inmiddels in de scholen naar eigen inzicht ingepast.

De conclusie dat het peil van het onderwijs dramatisch laag is, ook in vergelijking met het buitenland, wordt niet door de gegevens in het rapport waargemaakt.

De aanbevelingen van de commissie komen neer op een scherpe functiescheiding tussen de overheid en het onderwijs en een taakversmalling van beide. Hiertoe moet een scheiding aangebracht worden tussen het ‘wat’ en het ‘hoe’ van het onderwijs. De overheid bepaalt nauwkeuriger ‘wat’ er geleerd moet worden en laat daarbij minder ruimte aan de leraren. Het gaat om leerstandaarden voor de basisvaardigheden en onmisbare kennisonderdelen per vak. De leerkrachten bepalen ‘hoe’ dat didactisch het beste kan.

Maatschappelijke opdrachten daarbuiten geeft de overheid niet meer en de scholen geven daaraan zelf ook geen prioriteit. Via verplichte centrale toetsen en examens bewaakt de overheid het niveau. De inspectie beperkt zich tot het bewaken van de examenresultaten als enige maatstaf voor kwaliteit. Met onderwijsvernieuwingen moet in de toekomst zeer terughoudend worden omgegaan, waarbij de overheid zich beperkt tot de inhoud.

In de werkelijkheid zullen deze aanbevelingen niet werken, omdat ze te schematisch en te simpel zijn. De wederzijdse afhankelijkheid van het onderwijs, zijn omgeving en de overheid, is veel te groot voor een eenvoudige boedelscheiding. Het ‘wat’ en het ‘hoe’ van het onderwijs hangen bovendien sterk samen. Het is voor de samenleving van levensbelang dat de pedagogische en vormende taak van het onderwijs wordt versterkt in plaats van afgebroken. De inspectie is onmisbaar bij de verantwoording van de school aan ouders, schoolbestuur en overheid. Onderwijsvernieuwingen blijven noodzakelijk.

Zo gemakkelijk komt de politiek er niet vanaf: in een werkelijk interactief proces zal men bij de vernieuwingen betrokken moeten blijven. Dat is lastig, maar het is te leren als je je best doet. Haar best heeft de commissie gedaan, daarom verdient ze een herkansing.

Meer over