Wat de adel wil staat haaks op de Grondwet

De wens van de adel om overerving via de vrouwelijke lijn mogelijk te maken, heeft met rechtsgelijkheid niets van doen....

'UIT EEN oogpunt van emancipatie en rechtsgelijkheid is het toch te gek. . .'. Je zou denken dat hier iemand aan het woord is die behoort tot de maatschappelijke achterhoede en daarover haar beklag doet. Maar ik las die zin in een interview met Floor, barones van Dedem, en met mevrouw Hoen, geboren jonkvrouwe van Doorn, in de Volkskrant van 14 december.

En wat is het voorwerp van hun beklag? Dat heur kinderen de adellijke titels en predicaten niet van hen mogen erven. Over maatschappelijke achterhoede gesproken!

Het is opmerkelijk om zich op emancipatie en rechtsgelijkheid te beroepen om titels op te eisen die in het verleden bij uitstek het kenmerk waren van de politieke macht van enkelen over velen. Tegen de pretentie van dergelijke overgeërfde ambten streden de opstandelingen in onze Tachtigjarige Oorlog, die eindigde in de Republiek der Verenigde Nederlanden. Daar kreeg niet de adel, maar de burgers der steden het voor het zeggen.

En toen die republiek versteende tot een oligarchie van regenten kwam, in navolging van de Fransen, een revolutie waarbij radicaal alle erfelijke voorrechten werden afgeschaft.

Het nieuwe Koninkrijk der Nederlanden gaf weer een plek aan de adel nadat Europa in 1815 - na Napoleon - terugviel in een periode van reactie.

Tot de liberale revolutie van 1848 kreeg de adel recht op een deel van de zetels in de Provinciale Staten, die weer op hun beurt de Tweede Kamer kozen (de leden van de Eerste Kamer werden in die jaren door de koning benoemd). En voor het eerst sinds de afzwering van Spanje kreeg een koning in Nederland weer het recht om in de adelstand te verheffen, hetgeen zelfs in de Grondwet werd vastgelegd.

Maar Nederland is naar de geest een republiek gebleven. Oude Amsterdamse regentengeslachten weigerden aan dat Haagse spelletje mee te doen (hoe kon een vrije Amsterdammer immers 'verheven' worden?). En in de liberale sfeer van de tweede helft van de negentiende eeuw stierf dat 'verheffen' uit.

Wat overbleef in Nederland aan adel werd een reliek uit een ver verleden. Hier en daar op het platteland speelde de adel nog de veelal nuttige rol van grootgrondbezitter en vaderlijk heer, politiek stelde hij niets meer voor. De regeling van de adeldom geschiedde door algemene maatregelen van bestuur, het werd een interne zaak van de paar honderd families die het betrof.

Als stijlvolle traditie en soms parmantige folklore mocht het blijven bestaan. Het bleef sociaal gezien wel iets behouden van het oude standsverschil. Maar zolang het om een kleine groep ging, die overigens geen pretenties meer had, werd dat gedoogd.

Totdat een of andere bevlogene in de Tweede Kamer bij de herziening van de Grondwet in 1983 - opgezet om de Grondwet te moderniseren - ging eisen dat adeldom voortaan bij de wet zou moeten worden geregeld, en nog zijn zin kreeg ook.

Zo stond minister Ien Dales in 1991 voor de klus een wet op de Adeldom in te dienen. Terecht ging zij er van uit dat je folklore niet bij de wet moet regelen, en ging dus niet veel verder dan het in stand houden van de bestaande toestand. In de Kamer waren er toen al dames die, met een beroep op het gelijkheidsbeginsel, eisten dat adel voortaan ook via de vrouwelijke lijn zou moeten overgaan.

Dales hoonde ze weg: dat is in strijd met de folklore, het zou onderlinge ongelijkheid van vrouwen bevorderen en het zou bovendien het aantal dragers van een erfelijke titel buitensporig doen toenemen, terwijl het aantal op dit moment juist geleidelijk vermindert.

In 1983 is tevens artikel 1 in de Grondwet gekomen, het artikel dat discriminatie verbiedt. Dat artikel is een hele late nakomeling van het eerste artikel van de Franse Verklaring van de Rechten van de Mens en van de Burger uit 1789: 'Alle mensen worden vrij geboren en blijven vrij. Maatschappelijk onderscheid mag alleen worden gegrondvest op het algemeen nut.' Dat was met name gericht tegen de overheersende positie van de adellijke stand.

In onze tijd denken we eerder aan ongelijkheid gebaseerd op ras, geslacht, geloof of politieke overtuiging. Maar artikel 1 van de Grondwet keert zich ook tegen onderscheid op grond van aan geboorte ontleende bijzondere status.

Het is dan ook curieus dat ik de sympathieke adellijke dames in het aangehaalde interview een beroep zie doen op krek het artikel dat mede is gericht tègen hun erfelijk privilege!

Hadden zij gezegd ' Adeldom hoort in het geheel niet te overerven, want het werkt maatschappelijke discriminatie in de hand. Dat iemands voorouder in het verleden is ''verheven'' in de adelstand mag geen grond zijn voor onderscheid. Die vererving van de titel behoort dus te worden afgeschaft', dan hadden zij zich terecht beroepen op emancipatie en rechtsgelijkheid.

Maar het is raar om je te beroepen op rechtsgelijkheid met sommigen om daarmee een titel en status af te dwingen die juist ongelijkheid met alle anderen tot gevolg heeft. De dames beroepen zich op de principes van de Franse Revolutie en van de liberale democratie om daarmee hun nakomelingen door geboorte een aparte status te schenken. Daarmee zet je het begrip rechtsgelijkheid op zijn kop.

Het is verbazend dat de Tweede Kamer geen blijk heeft gegeven dit te erkennen, toen zij eerder deze maand - met een beroep op gelijke behandeling - de regering bij motie uitnodigde om overerving van adellijke titels en predicaten ook via de vrouwelijke lijn mogelijk te maken. De grondleggers van de politieke bewegingen der liberalen, der vrijzinnig-democraten en der sociaal-democraten zouden zich in hun graf omdraaien, als zij wisten dat hun opvolgers op deze wijze verbreiding bevorderen van een status die nog altijd als een maatschappelijke ongelijkheid wordt ervaren.

De regering doet er dan ook verstandig aan deze motie niet uit te voeren. Blijft de Kamer aandringen op meer rechtsgelijkheid voor baronesses, dan ligt het eerder voor de hand om - in het belang van een meer algemene rechtsgelijkheid - de adeldom niet meer in de wet te regelen.

Dat hoeft ook niet meer van de Grondwet, want de opdracht om adeldom bij de wet te regelen is uitgewerkt toen de bestaande wet op de Adeldom in 1993 kracht van wet kreeg. Dit om de hele kwestie van adellijke titulatuur uit het publiekrecht te halen, zodat 'adeldom' geen rechtsgevolgen meer heeft en de titel ook geen onderdeel van de eigennaam meer uitmaakt.

De bevolkingsgroep is dan vrij om zonder politieke bemoeienis haar exclusiviteit onderling te blijven regelen volgens de middeleeuwse regels die aan die folklore inherent zijn, zoals wel meer exclusieve genootschappen in ons land doen.

En wie daaraan niet mee wil doen is vrij om deze folklore te negeren. Dat is echte emancipatie.

Erik Jurgens is hoogleraar staatsrecht aan de Vrije Universiteit Amsterdam.

Meer over