InterviewOud-kraker Joost Flint

Wat de activisten van nu kunnen leren van de jaren tachtig

Met alle protesten waart de geest van de jaren tachtig weer rond, ziet oud-kraker Joost Flint, die een dik boek schreef over die roerige periode in zijn leven. Al zijn er ook grote verschillen. ‘In de jaren tachtig stonden wij tegenover de politie. Nu zijn agenten zelf slachtoffer van de huizencrisis.’

Joost Flint op het dakterras van zijn appartement aan het IJ in Amsterdam. Hij liep vorige maand uit solidariteit mee met het Woonprotest. ‘Ik woon zelf goed, maar dat geldt niet voor al mijn vrienden.’ Beeld Guus Dubbelman / de Volkskrant
Joost Flint op het dakterras van zijn appartement aan het IJ in Amsterdam. Hij liep vorige maand uit solidariteit mee met het Woonprotest. ‘Ik woon zelf goed, maar dat geldt niet voor al mijn vrienden.’Beeld Guus Dubbelman / de Volkskrant

Vorige maand deed Joost Flint mee aan het Woonprotest. Niet voor zichzelf: Flint woont in een riant appartement in Amsterdam, met uitzicht op het IJ. Hij liep mee uit solidariteit. ‘Ik woon zelf goed, maar dat geldt niet voor al mijn vrienden.’

Hij werd erdoor geëmotioneerd, enigszins tot zijn eigen verrassing. ‘Ik zag vanaf het Centraal Station in Amsterdam al die demonstranten lopen op weg naar het Westerpark. Dat gevoel van saamhorigheid, we gaan samen iets doen, wij zijn een beweging: het raakte me. Dat had ik niet verwacht, het overviel me een beetje. Het riep herinneringen op aan vroeger.’

‘Vroeger’, dat zijn voor Flint de jaren tachtig van de 20ste eeuw, toen hij als kraker vooropging in de strijd tegen woningnood. Al ging het er toen wel iets anders aan toe dan nu. Destijds leverden krakers veldslagen met de politie. De autoriteiten zetten ME’ers in, traangas, helikopters en pantserwagens. Krakers reageerden met stenen, blokkades en barricades.

Nogal een verschil met de demonstratie in het Westerpark, waar borden werden rondgedragen met teksten als ‘Ik wil een huis’ en volgens Flint vanaf het podium vooral ‘linkse praatjes tegen de VVD’ werden verkondigd. ‘Toen was het gevoel snel weg. Het zijn echt niet alleen rechtse politici die verantwoordelijk zijn voor de wooncrisis.’

Joost Flint (1957) was betrokken bij alle grote kraakacties van de jaren tachtig in Amsterdam, van de Vondelstraat tot de Lucky Luyk. Hij was redacteur van het roemruchte actieblad Bluf!, zat in de blokkades van de kerncentrale in Dodewaard en was een van de kopstukken van de antimilitaristische actiegroep Onkruit, die met spraakmakende inbraken in bunkers en kantoren het militaire apparaat te kijk zette.

Over die periode in zijn leven heeft hij een indrukwekkend boek geschreven: Rebellie in de jaren 80. Een bijna achthonderd pagina’s dik persoonlijk verslag, aangevuld met documenten uit die tijd: persverklaringen, briefwisselingen tussen de burgemeester van Amsterdam en krakers, teksten uit Bluf!.

Het is het verhaal over een roerige periode uit de Nederlandse geschiedenis dat het waard is om verteld te worden, vindt Flint. ‘Over de jaren zestig is veel geschreven. Die worden nog steeds gevierd als een bevrijding. Over de jaren tachtig is veel minder verschenen. Het is een verdrongen geschiedenis.’

Zijn boek verschijnt op een moment dat protestbewegingen opnieuw de kop opsteken. Tegen woningnood wordt weer geprotesteerd, Greenpeace bezet het dak van de Tweede Kamer, duizenden demonstreren tegen coronamaatregelen, klimaatactiegroep Extinction Rebellion gaat vanaf maandag een week lang de straat op in Den Haag onder de noemer Klimaatrebellie. De geest van de jaren tachtig waart weer rond, beaamt Flint. ‘Ik zie overeenkomsten. Maar ook grote verschillen.’

Half september gingen ruim 15 duizend mensen in Amsterdam de straat op uit protest tegen de hoge huur- en huizenprijzen en het tekort aan woningen.  Beeld Joris van Gennip
Half september gingen ruim 15 duizend mensen in Amsterdam de straat op uit protest tegen de hoge huur- en huizenprijzen en het tekort aan woningen.Beeld Joris van Gennip

De titel van het boek is Rebellie. Waarom niet revolutie of opstand?

‘Opstand en revolutie zijn veel te grote woorden. Maar het was meer dan zomaar een actiebeweging. Deze rebellie duurde een heel decennium. Dat is uitzonderlijk. Ook al omdat het een buitengewoon gewelddadige tijd was. Als je de Tweede Wereldoorlog buiten beschouwing laat, was dit een van de gewelddadigste periodes in de Nederlandse geschiedenis.’

Waar kwam dat geweld vandaan?

‘Er waren natuurlijk weinig mensen intrinsiek gewelddadig. Maar we hadden een gevoel van onrechtvaardigheid. We zaten in een economische crisis, er waren 1 miljoen werklozen. Door de Koude Oorlog was er een voortdurende oorlogsdreiging. Het lag niet in je macht om daar zelf iets aan te veranderen. We zaten als ratten in het nauw. Je beet van je af.

‘Ik denk dat veel mensen geen andere weg zagen om onrecht ter discussie te stellen. We hadden jarenlang met een standje op de markt gestaan, buttons uitgedeeld; het haalde niets uit. Ton Planken, een bekende Haagse journalist in die tijd, zei: het falen van het parlementaire systeem ís het systeem. Oké, zeiden wij: redelijk zijn maakt onderdeel uit van het systeem. Dus is het goed om onredelijk te zijn.’

‘Boven begon’, volgens de krakers. De autoriteiten namen als eerste de knuppel in de hand.

‘Geweldloosheid is echt wel geprobeerd. Aanvankelijk werden kraakpanden geweldloos verdedigd. Dan kwam de ME en sloeg iedereen van de straat. De gewelddadige ontruiming van de Kinkerbuurt in Amsterdam in 1979 was zo’n keerpunt. Dat laten we ons niet meer gebeuren, zeiden wij tegen elkaar. Vanaf nu gaan we terugslaan.

‘Geweld heeft zijn eigen logica. Als de autoriteiten tegenstand ontmoeten, reageren ze met overkill. Dan kom je in een spiraal terecht. Als krakers door stillen (politie in burger) te grazen worden genomen, gaan ze nog harder met stenen gooien naar de politie.’

Een stoet demonstranten trekt door Amsterdam, 12 september. Beeld Joris van Gennip
Een stoet demonstranten trekt door Amsterdam, 12 september.Beeld Joris van Gennip

U groeide op in het Drentse Rolde, in een liefdevol gezin waar NRC werd gelezen, slaagde met goede cijfers voor het atheneum en ging in 1976 naar Amsterdam om politicologie te studeren. Daar radicaliseerde u in korte tijd tot stenen gooiende kraker. Gaat dat zo snel?

‘Ik was ongelukkig op de middelbare school. In Amsterdam kwam ik op een kamertje terecht, daar werd ik nog eenzamer van. Kraken was voor mij een manier om met andere mensen samen te wonen: iets opbouwen, sociale contacten leggen. De hele dag was je met gelijkgestemde mensen die allemaal met iets bezig waren. Het ging stapsgewijs. Er gebeurde zo veel, de strijd op straat was veel interessanter dan de colleges politicologie.

‘Ik was boos op de hele maatschappij. We hadden geen toekomst, dus maakten we er zelf maar wat van. In de linkse beweging van de jaren zeventig werd sociale strijd gezien als een klassenstrijd tussen arbeiders en kapitaal. De jaren tachtig braken daarmee. Wij kwamen op voor onze eigen problemen. ‘Wij eisen geluk’ was een leus uit die tijd. We wilden ons leven in eigen hand nemen. Niet wachten tot je een huis krijgt of een baan.’

Flint werd volwassen in wat de ‘verloren generatie’ is gaan heten. Er stonden huizen noch werk voor hen klaar. Binnensteden werden gesloopt, er was rumoer rond de bouw van kerncentrales en de plaatsing van kruisraketten. De dreiging van een kernoorlog hing als een verstikkende deken over de wereld. Een deel van zijn generatie reageerde daarop door de kont frontaal tegen de krib te gooien. Het was de tijd van zwarte jassen, no future en punkmuziek.

‘Kernenergie, kraken, antimilitarisme, anti-apartheid, vrouwenstrijd: het was één subcultuur van bewegingen die elkaar overlapten met gemeenschappelijke kenmerken: weinig geloof in de politiek, een keuze voor autonomie. Het was een subcultuur die zich bewust buiten de maatschappij plaatste en een andere manier van leven voorstond.’

Mensen worden in het gareel gehouden door angst, schrijft u. Jullie traden wetten massaal met voeten. Dat werkte bevrijdend.

‘De essentie van kraken is dat je de wet overtreedt omdat je een gebouw binnengaat dat niet van jou is. Ik kan mij herinneren dat ik voor het eerst een sneeuwbal gooide naar een ME’er. Ik voelde me schuldig. Iedereen is die innerlijke verbodsgrens over gegaan. En als je die over bent, doet dat iets met je denken. Dan ga je anders naar regels kijken, ga je de legitimiteit ervan in twijfel trekken.’

De rebellie duurde tien jaar, toen doofde het vuur. Hoe verklaart u dat?

‘De tweede helft van de jaren tachtig is een periode van verkruimeling. De economie trok aan, er ontstond weer perspectief op een carrière. Kraken werd onmogelijk gemaakt, de Berlijnse Muur viel, in Zuid-Afrika kwam een einde aan het blanke regime. Het protest had zichzelf ook de nek om gedraaid; het waren allemaal subcultuurtjes geworden met hun eigen gelijk. Het merendeel van de jeugd had daar geen boodschap aan. Die was rijp voor de feestcultuur van de jaren negentig.’

Deelnemer aan het Woonprotest begin oktober, op het Bickerseiland in Amsterdam.  Beeld Joris van Gennip
Deelnemer aan het Woonprotest begin oktober, op het Bickerseiland in Amsterdam.Beeld Joris van Gennip

Nu zijn protestbewegingen weer in opkomst. Pakken zij de draad op van de jaren tachtig?

‘Er zijn overeenkomsten. Maar de omstandigheden zijn anders. Wij kraakten leegstaande panden. Nu is het probleem dat huizen veel te duur zijn geworden. In de jaren tachtig stonden krakers tegenover de politie. Nu zijn politieagenten zelf ook slachtoffer van de wooncrisis. Het is een heel andere crisis. Die vraagt om andere oplossingen.

‘Jongeren snapten er niets van dat ik meeliep in het Woonprotest. Ik heb immers een huis, dus wat deed ik daar? Deze generatie komt uit een neoliberale tijdgeest: een cultuur waarin ze getraind zijn alles zelf te doen. Nu ontdekken ze dat er dingen zijn die buiten hun macht liggen en moeten ze leren zich te organiseren, solidair te zijn met elkaar. Dat is een cultuuromslag, dat kennen ze niet.

‘De vraag is hoe ze dat gaan aanpakken. De eisen van het Woonprotest zijn supervaag. Je kunt ook zeggen: als er zo veel van ons inkomen naar huur gaat, hebben we aan het einde van de maand geen geld meer om te eten. Dus gaan we met zijn allen overheidskantines leegeten. Niet één keer, maar elke laatste week van de maand. Zoiets zouden we in de jaren tachtig hebben gedaan.’

De klimaatbeweging heeft meer jarentachtigtrekjes.

‘Wat voor ons de Koude Oorlog was, is de klimaatcrisis nu. Dat gaat net als toen gepaard met apocalyptische beelden: wij worden naar de ondergang geleid en daartegen moeten we in opstand komen. Er wordt een beeld gecreëerd van zuiverheden: de tegenstander is het kwaad dat moet worden uitgedreven. En wij vertegenwoordigen het goede.

‘Dat vijanddenken herken ik uit de jaren tachtig. Maar het is gevaarlijk. Omdat je zelf het goede niet bent. Mensen zijn niet goed of slecht, ze zijn warrige mengsels. Binnen de kraakbeweging werd ook geweld gebruikt tegen elkaar. Ik schrijf over verkrachtingen door actievoerders. Dat laat zien dat wij niet per se het goede vertegenwoordigden. Dat je al die shit van de maatschappij ook in je eigen kring hebt.

‘Je kunt zeggen dat er te weinig wordt gedaan tegen de opwarming van de aarde, of dat het te langzaam gaat. Maar je kunt niet zeggen dat er niets gebeurt. Dat beeld wordt wel gecreëerd. Als je zo denkt, kun je nooit begrip krijgen voor je tegenstander.

‘Wat vandaag via de rechter bereikt kan worden, is ook substantieel. Onze leus was: ‘Jullie rechtsorde is de onze niet.’ Wij zagen het recht als iets dat alleen maar tegen ons werd gebruikt. Als je nu de rechtszaken ziet tegen de staat en Shell: dat zijn geweldige overwinningen waarmee veel wordt bereikt.’

Heb je dan geen protestbeweging meer nodig?

‘Massa blijft nodig. Misschien kun je zelfs zeggen dat je die rechtszaken alleen maar wint omdat die massa er is. Het is ook nodig dat de politiek en bedrijven de urgentie blijven voelen om uitspraken om te zetten in daden.’

Eind jaren tachtig viel de actiebeweging uit elkaar. Een deel radicaliseerde en ging ondergronds, zoals Rara, dat aanslagen pleegde op vestigingen van Shell en Makro vanwege hun banden met het apartheidsregime in Zuid-Afrika. Andere bleven geweldloos.

‘Betaalbare huur voor iedereen’. Demonstrant in Amsterdam, 12 september. Beeld Joris van Gennip
‘Betaalbare huur voor iedereen’. Demonstrant in Amsterdam, 12 september.Beeld Joris van Gennip

Geweld werkte als een splijtzwam voor de beweging. Wil dat zeggen dat geweldloos verzet de enige oplossing is?

‘Geweld heeft zijn rol gespeeld in de verkruimeling. Je krijgt er gratis dingen bij: een machocultuur, heimelijke verlangens en wraakgevoelens. Geweld heeft zijn eigen dynamiek. De vraag of geweldloosheid de enige optie is, vind ik moeilijk te beantwoorden. Als je kunt protesteren zonder geweld, doe het dan.

‘In april 1989 het geweld achter ons te laten met een muzikale blokkade van Shell in Amsterdam. De politie reed met paarden in op demonstranten en gebruikte traangas. Onze fout was dat we niet in gesprek gingen met de burgemeester over een vreedzaam politieoptreden. Wij zaten vast in ons eigen vijandsbeeld. De tegenstander kon daardoor volharden in zijn beeld over ons.’

Wat hebben de jaren tachtig opgeleverd?

‘Er zijn huizen behouden gebleven, dus veel mensen hebben woonruimte gevonden. Er zijn geen kerncentrales bij gekomen, de dumping van radioactief afval in zee is gestopt. Institutioneel is de erfenis van de jaren tachtig moeilijk te duiden. Cultureel wel. Het gevoel van autonomie, dat je je eigen leven kunt inrichten, is een gedachte uit de jaren tachtig die nu nog een grote rol speelt. Het idee van platte organisaties zag je jaren later terugkomen in managementtheorieën. De vrouwenbeweging van de jaren tachtig voerde een strijd voor economische zelfstandigheid. Vrouwen eisten taken op. Het hoeven niet altijd mannen te zijn die bunkers opensnijden, zeiden ze. Dat kunnen vrouwen ook.’

Heeft u spijt van wat u heeft gedaan?

‘Ik heb wel spijt van sommige dingen. We deden ooit een actie voor de deur van toenmalig premier Wim Kok. De PvdA was altijd vóór een kolenboycot van Zuid-Afrika, toen Kok premier werd ineens niet meer. Toen hebben we een zak kolen voor zijn deur gegooid. Later besefte ik dat zo’n actie heel bedreigend kan zijn voor een gezin. We hebben in 1980 een delicatessenwinkel in Amsterdam geplunderd. Die verkocht aan de rijken, maar het was natuurlijk gewoon een kleine middenstander. Achteraf denk ik: Jezus, wat hypocriet was dat.

‘Waar ik de meeste spijt van heb, is dat ik in mijn strijd voor een betere wereld altijd bezig was met de toekomst. Daardoor vergeet je het hier en nu. Wat direct om mij heen gebeurde zag ik niet, omdat ik te druk bezig was achter mijn idealen aan te rennen. Daarmee doe je jezelf en de mensen om je heen tekort.’

In uw boek klinkt u bitter. Na een inbraak bij een politiebureau in Amsterdam die na jarenlange voorbereiding mislukt, schrijft u: ‘Ik ben er klaar mee. Ik ben niet alleen ontsnapt, maar ook bevrijd.’ Jullie waren toch juist de bevrijders?

‘Ik zat opgesloten in mijn eigen subcultuur. Ik was een gevangene van mijn gedachtenwereld: het idee dat we betere mensen zijn, dat we met steeds meer betere mensen zullen zijn en de wereld veranderen. Dat was een illusie. Die mislukte actie was het laatste zetje. Ik voel me er niet bitter over, maar daarna was het klaar.’

U ontdekte zen, ontwikkelde zich spiritueel. U schrijft dat u tegenwoordig volkomen apolitiek bent. ‘In plaats van de wereld te redden, help ik nu een kreupel eendenkuikentje.’ Dat klinkt slap.

‘Terwijl ik het juist als een verrijking ervaar: leven in het nu. Zorgzaamheid naar elkaar, aandacht voor andere mensen, kleine dingen.’

Waarom sluit dat elkaar uit? Je kunt toch politiek actief zijn en ook lief voor eendenkuikens?

‘Ik vind het goed dat problemen als woningnood en klimaatopwarming onder de aandacht worden gebracht. Maar ik ga dat niet meer doen. Ik ben die persoon al een keer geweest.’

Hoe is het de actievoerders van toen vergaan?

‘Het was echt een strijd om weer geïntegreerd te raken voor mensen die tien jaar werkloos waren geweest. We stonden met twee benen buiten het systeem, maar eigenlijk wilden we ook graag met één been erin staan. Ik denk dat het voor veel mensen uit de jaren tachtig zo is gebleven: met één been staan ze in het systeem, met het andere nog steeds een beetje erbuiten.’

Het is u zo te zien aardig vergaan.

‘Ik ben in de tweede helft van de jaren tachtig begonnen met het verkennen van de computertechnologie. Daarna werd ik medeoprichter van de Digitale Stad, de eerste gratis internetprovider. Daar is een eigen bedrijf uit voortgekomen. Dat heb ik in 2011 verkocht. Sindsdien kan ik een prettig leven leiden.’

U hoeft niet meer te werken voor uw geld?

‘Nee. Ik ben weer gaan studeren: oude culturen en religies. Na de verkoop van mijn bedrijf heb ik kinderen geholpen op de weekendschool in Amsterdam-Noord. Ik steun soms individuele mensen met raad en daad: niks groots en belangrijks, maar wel fijn om te doen. Ik had kunnen doorwerken; dan was ik nog rijker geworden. Maar ik was rijk genoeg, vond ik. Dat is misschien ook wel heel erg een jarentachtig-idee.’

Denkt u dat uw strijdmakkers van toen dat als verraad aan de idealen beschouwen?

‘De mensen met wie ik actie heb gevoerd in de jaren tachtig maken zich daar helemaal niet druk om.’

Meer over