Washington kan de wereld niet dicteren

HET LOOPT lekker met de buitenlandse investeringen in de islamitische republiek Iran. Na het Franse olie-concern Total is het nu 'onze' Shell die binnenkort waarschijnlijk in de prijzen valt....

Iran is rijk aan olie en aardgas en vormt geografisch een verbindende schakel tussen andere olierijke gebieden (Turkmenistan, Kazachstan, Azerbeidzjan) en Turkije. Geen wonder dat zowel buurlanden als oliemaatschappijen een begerig oog op Irans grondstoffen en mogelijkheden als doorvoerland hebben laten vallen.

Zouden de Amerikanen met sancties dreigen en hoever zouden ze daarbij willen gaan? Die vraag stond na het bekend worden van de eventuele Shell-deal weer centraal. De regering-Clinton zit in een lastig parket. Ze heeft zich gebonden aan de wet-d'Amato. Die stelt buitenlandse bedrijven die meer dan 20 miljoen dollar in Iran (of Libië) investeren Amerikaanse sancties in het vooruitzicht. De wet heeft buiten de VS veel verontwaardiging gewekt.

Wie denken die Amerikanen dat ze zijn, als ze proberen buitenlandse ondernemingen en regeringen de wet voor te schrijven? Dat was in Europa de meest gangbare reactie op het aannemen van de wet-d'Amato (en de tegen handel met Cuba gerichte wet-Helms/Burton). Dezelfde reactie volgde op het wereldkundig worden van de transactie van Total met Teheran. De Franse regering stelde zich vierkant achter Total, de Europese Commissie in Brussel steunde Parijs en er werd druk gespeculeerd over een Amerikaans/Europese handelsoorlog.

Kennelijk zitten ze in Washington niet op zo'n handelsoorlog te wachten. De regering-Clinton zou, liet ze sussend verluiden, nog geruime tijd op het door Total afgesloten contract moeten studeren, vóór ze kon vaststellen of de wet-d'Amato van toepassing was. Ook Shell hoeft zich waarschijnlijk niet al te bezorgd te maken.

Het wordt steeds duidelijker dat de wet-d'Amato niet, of alleen tegen een zeer hoge prijs, toepasbaar is. De VS mogen de enige resterende supermacht zijn, de verhoudingen liggen niet zo dat zij de rest van de wereld (de EU, Rusland) kunnen dicteren met wie er wel of niet mag worden handel gedreven.

De Amerikaanse poging om dit wel te doen, is niet alleen ietwat aanmatigend, maar ook contraproductief. En eigenlijk is dat nog erger. Want wie is - in Europese ogen - in de driehoek Shell/Total, Teheran, Washington de kwaaie pier? Washington, dat zich met Europa's zaken bemoeit en zijn wil probeert op te leggen!

Die - begrijpelijke - irritatie leidt af van de vraag waarom het echt zou moeten gaan: is handel met Iran een goede zaak of niet? Hebben de VS - even los van het door hen ingezette instrument - gelijk met hun streven Iran te isoleren? Of verdient een détente-achtige benadering de voorkeur en kunnen handel, diplomatie en culturele contacten helpen om het bewind in Teheran van zijn scherpste kanten te ontdoen? Dat is vanuit Europa in de jaren zeventig en tachtig ten aanzien van de Sovjet-Unie geprobeerd, en tegenwoordig voeren de VS en Europa eendrachtig een politiek van 'constructief engagement' tegenover China.

Ook in het Iraanse geval valt er iets voor te zeggen; sinds de verkiezing van de 'vrijzinnige ayatollah' Khatami tot president, bestaat in Teheran een potentieel voor verandering. Dat Khatami en zijn regering waarde hechten aan het exploiteren van Irans natuurlijke rijkdommen en het aantrekken van buitenlandse investeerders, duidt erop dat ze niet uitsluitend oog hebben voor het streng islamitisch gedefinieerde zieleheil van de bevolking.

Het prille Iraanse verlangen naar (economische) contacten met de buitenwereld zou kunnen worden aangegrepen voor een echte kritische dialoog. Een dialoog waarin ook de Europese en Amerikaanse wens aan de orde komt, dat Iran afziet van nucleaire ambities en terrorisme, en de mensenrechten respecteert. Voor wat hoort wat, nietwaar?

Maar helaas. Zo'n dialoog veronderstelt niet alleen een minimum aan goede wil aan Iraanse kant; minstens even belangrijk is dat Irans gesprekspartners in laatste instantie het primaat leggen bij de politiek. Het Amerikaanse Congres heeft dat tegenover Iran inderdaad geprobeerd - meer dan bijvoorbeeld tegenover China, waar het onderwerp 'mensenrechten' steeds meer ondergeschikt raakt aan de grote belangen van bedrijven als Boeing, Ford en Coca-Cola.

De Europese opstelling tegenover Iran blijft potsierlijk. De vroegere 'kritische dialoog' is dit voorjaar afgebroken, nadat de Duitse rechter hoge Iraanse politici en geheime dienst-lui schuldig had bevonden aan een moordaanslag in Berlijn. De betrokken Iraniërs zijn door Khatami van hun posten verwijderd.

Het Europese protest heeft dus succes gehad. Maar de EU-ambassadeurs zijn nog niet terug naar Teheran, waar ze nu juist zouden moeten zijn. Intussen slaan Total en binnenkort Shell hun slag, los van de 'politieke crisis' tussen de EU en Teheran, en, het is raar maar waar, met volmondige steun van diezelfde Unie.

Een kritische dialoog met Teheran? Goed idee, maar laten VS en EU daarvoor dan een gemeenschappelijke noemer zoeken. In plaats van elkaar onder valse vlag te beconcurreren: 'jullie mogen daar niet investeren', 'hi, hi, wij springen lekker toch in het gat in de markt.'

Anet Bleich

Meer over