Wars van kleine stapjes en grote ambities

Is Johan Willem Beyen (1897-1976) een vergeten Nederlander? En zo ja, is hij dan terecht of ten onrechte een vergeten Nederlander geworden?...

Het antwoord op die twee vragen is vervat in een biografie van meer dantweehonderdduizend woorden, waarmee NRC-redacteur W.H. Weenink hetprobleem van de vergetelheid in zekere zin dus meteen uit de wereld heeftgeholpen.

Het hele begrip is overigens nogal betrekkelijk. Letterlijk. Je betrekthet op de mate waarin anderen, liefst tijdgenoten en collega's, ons zijnbijgebleven. De oude Drees - om het bij de politiek te houden - is nietvergeten. Joseph Luns, met wie Beyen tussen 1952 en 1956 het departementvan Buitenlandse Zaken deelde, waarschijnlijk ook nog niet. Maarverdienstelijke bewindslieden van die dagen, zoals Mansholt (Landbouw), Vanden Brink (Economische Zaken) of Van Maarseveen (Justitie)? De kans isgroot dat hun namen straks in het graf worden meegenomen door de laatsteoverlevenden van hun generatie.

Zou het feit dat Beyen politiek dakloos was ertoe hebben bijgedragen datzijn naam niet erg is beklijfd? Dat suggereert Weenink een paar keer.Volgens zijn redenering zou je in de politiek zonder het vangnet (of hetthuisnest) van een partij eerder vereenzamen en sneller uit de herinneringverdwijnen. Dat klinkt plausibel. Maar iemand als Van Kleffens - drie jaarouder dan Beyen - die in 1939 onder De Geer aantrad op Buitenlandse Zaken,was ook partijloos, en die is toch behoorlijk lang herinnerd. Of lag datvooral aan de omstandigheid dat hij, los van z'n rol in deoorlogskabinetten-Gerbrandy, tot op hoge leeftijd nog actief is geblevenin de diplomatieke dienst?

Beyen kwam uit de wereld van geld en ondernemerschap, en dan moet je omin Nederland nationaal bekend te worden en te blijven op z'n minst eengloeilampenfabriek in Eindhoven, of een kruideniersbedrijf in Zaandam, ofeen burgerluchtvaartmaatschappij in de Haarlemmermeerpolder hebbenopgericht. Dat heeft Beyen allemaal niet gedaan.

Zijn vooroorlogse carrière reikte tot aan het voorzitterschap van dein Basel gevestigde Bank for International Settlements - een eerstebancaire proeve van Europese samenwerking. Een gewichtige functie, maarzeker in die tijd nog niet eentje waarmee je aan de weg timmerde. Wie wisttoen dat Beyen - waarschijnlijk meer uit onhandigheid dan vanwegenazi-sympathieën - Tsjechisch goud in handen van het Derde Rijk heeftgespeeld? Alleen in kleine kring is het hem nog lang nagedragen.

Zijn talent als netwerker bracht hem als Londense balling gedurende dejaren 1940-1945 in nauw contact met prins Bernhard, die hem toeliet totzijn 'dassenclub', een exclusief soort eedgenootschap waarvan de ledenvolgens een padvinderachtige regel 'te allen tijde voor elkaar moesteninstaan, in elk opzicht'.

Mede aan z'n voortreffelijke relatie met het aanstaande koningspaar (hijdeed in Londen z'n ochtendgymnastiek voor een foto van Juliana, Bernharden hun kinderen) zou Beyen volgens Weenink zijn benoeming op BuitenlandseZaken hebben te danken. De voorzitter van de dassenclub moet hem, nadat hemeen topfunctie bij de Wereldbank was ontgaan, samen met Hare Majesteitbehulpzaam zijn geweest bij het vinden van die passende betrekking in hetvaderland.

In de binnenlandse politieke verhoudingen (rooms-rode coalities!)dreigde het nog even mis te gaan, omdat Romme Buitenlandse Zaken opeistevoor de Katholieke Volkspartij. Maar dat is ten slotte op z'n Nederlandsrechtgebreid door de leiding van het departement tot een duobaan teverheffen. De partijloze Beyen werd de officiële minister, de roomse Lunsmocht als minister zonder portefeuille de overblijvende honneurs waarnemen.

Een succes is de samenwerking niet geworden. Omdat Beyen zich op Europaconcentreerde - waarover dadelijk meer - werd de 'grote wereld' (VerenigdeNaties, de Oost-Westverhoudingen, de relatie met Indonesië) eengemakkelijke prooi voor Luns, die toen als vanzelf het 'gezicht' werd vanons buitenlands beleid, en die dat tot 1971 zou blijven, alvorens ook nogeens dertien jaar secretaris-generaal van de NAVO te worden. Maar tegen dietijd was Beyen al dood.

Tot zover de vergetelheid.

Voor Weenink is intussen de 'rehabilitatie' het belangrijkste onderwerp.Is het niet onbillijk dat een zo veelzijdige man, die voor de oorlog al eengewaardeerde gesprekspartner was van de econoom Keynes, en die als ministerna de oorlog een beslissende stap hielp zetten op de weg naar de Europeseintegratie, voor de meesten van ons een onbekende is gebleven? En debiograaf prijst hem in z'n inleiding bij voorbaat als iemand met 'charme,gemakkelijke omgang, internationale oriëntatie, goede contacten,muzikaliteit, belezenheid, scherpe humor en joie de vivre.'

Maar zou hij ook een beetje lui, wispelturig en verwend geweest kunnenzijn, dus het tegendeel van iemand die zich even toegewijd als vasthoudendnet zo lang in een zaak vastbijt, tot hij z'n zin heeft gekregen of eenbittere nederlaag moet incasseren?

Tussen Weeninks duizenden regels door krijg je soms die indruk: meer vaneen begaafde flierefluiter vol briljante invallen dan van een grootgeleerde, een groot entrepreneur of een groot politicus, laat staan van eengroot doorzetter. De auteur houdt zich op de vlakte. Hij etaleert zijnbronnen en laat de duiding aan zijn lezers over.

Dat Beyen op een cruciaal moment zijn aarzelende mede-Europeanen(inclusief de Haagse sceptici onder leiding van een hyper-atlanticus alsDrees) bijna wist te winnen voor een grote sprong voorwaarts van de Kolen-en Staal Gemeenschap naar iets dat al in de buurt van een Unie kwam, istyperend voor de geestdrift waarmee hij, nieuwe eend in de bijt, de mensenwist te inspireren. Maar het is even typerend dat hij wat Europa betrefteigenlijk de boel de boel liet toen zijn 'droom' te elfder ure toch weerop allerlei bedenkingen en praktische bezwaren stuitte. Hij hield niet ergvan kleine stapjes in kleine marges.

Grote ambities moeten hem vreemd zijn geweest. Dat geeft hem ietssympathieks, al zal het een roemrijke politieke of zakelijke carrière inde weg hebben gestaan. De wijze waarop hij gedurende het koningsdramaatjerond Greet Hofmans (tijdelijk) in ongenade viel bij de door hem vereerdekoningin, was natuurlijk zuur, maar je hebt de neiging te geloven dat hetz'n eigen schuld was. Hij liet de jongenseer van de dassenclub prevalerenboven een basaal soort diplomatieke flair waarmee hij Bernhard had kunnensteunen zonder majesteit helemaal af te vallen. Juliana heeft hemwaarschijnlijk terecht verweten dat hij haar in de zaak ook publiekelijk(in interviews met onder anderen Duitse en Engelse journalisten) enigszinsheeft geaffronteerd.

Al te diep graaft Weenink niet in de affaire. We zullen nu geduldigmoeten wachten op de 'wetenschappelijk verantwoorde en uitvoeriggeannoteerde monografie' die Cees Fasseur gaat schrijven op basis 'van allezich op het Koninklijk Huisarchief bevindende relevante bronnen', inclusiefhet sinds 1956 in beton gemetselde enige exemplaar van het rapport van deCommissie-Beel.

Als bescheiden biograaf wil Weenink geen waardeoordelen hechten aan deovervloedige bewijzen van inconstitutioneel gedrag dat hij onderweg istegengekomen. Dat Bernhard vrolijk de hand lichtte met zijnstaatsrechtelijke verplichtingen wisten we al. Maar Juliana blijkt er ookmee terecht te hebben gekund.

Weenink was het er bovenal om te doen Beyen uit de vergeethoek te halenen hem nog alsnog in het volle licht te plaatsen. Het gevolg is dat nietalleen de tijdgenoten, maar ook de gebeurtenissen uit die jaren gelijkelijkzijn verbleekt tot bijfiguren en bijverschijnselen. Beyen steekt nog éénkeer boven alles en iedereen uit. Het zij hem gegund.

Meer over