Wars van de hokjes

Dertig jaar geleden behoorde hij tot de angry young songschrijvers. Op zijn nieuw album Rain is Joe Jackson nu ook zelf tevreden over de teksten....

Gijsbert Kamer

Kleiner van aanpak en grootser van geluid, dat was de opdracht die Joe Jackson zich gesteld had voor zijn nieuwe album Rain. ‘Met minimale middelen een sound neerzetten die bijna orkestraal is, dat leek me nu eens leuk. En gaandeweg kwam ik erachter dat een piano alleen voor tien kan tellen, maar dan moet je het aandurven omringende instrumenten weg te halen, en zorgen dat de productie goed is. Dat deed ik zelf, dus dat was het probleem niet.’

Joe Jackson (53) grinnikt voorzichtig. Het is bijna dertig jaar geleden dat hij debuteerde met Look Sharp, een hoogtepunt uit de Britse new wave dat hem in dezelfde lichting angry young songschrijvers plaatste als Elvis Costello. Net als Costello zou Jackson zich in de jaren tachtig en negentig met allerlei muzikale genres en disciplines bezighouden, van klassiek tot jazz, en soundtracks voor films tot het componeren van een symfonie. Maar hij is niet naar Amsterdam gekomen om over vroeger te praten.

‘Rain is mogelijk mijn beste liedjesplaat, maar zeker de plaat met mijn beste teksten. Misschien schiet ik daarom altijd in de contramine als jullie over vroeger beginnen, want ik schaam me voor veel oude teksten. Die waren simplistisch, zo van ome Joe legt wel even uit wat er mis is in de wereld.’

Een goede tekst is hard werken, aldus Jackson. ‘Als iemand zegt: wat knap dat je ook een symfonie hebt geschreven, dat is toch een stuk harder werken dan een gewoon popliedje, dan zeg ik: nee hoor, dat was een makkie want ik heb er geen teksten voor hoeven schrijven.’

Eigenlijk kreeg Jackson het schrijversambacht pas goed onder de knie na publicatie van zijn boek A Cure For Gravity in 1999. Op hilarische wijze vertelt Jackson hierin over zijn opgroeien met popmuziek en zijn eerste schreden in het vak. ‘Noem het vooral geen autobiografie, want dat suggereert dat er nog een vervolg moet komen over hoe het me na 1979 is vergaan. Veel mensen denken dat ik ook nog een boek ga schrijven over mijn leven als succesvol muzikant. Geen sprake van. Maar ik heb er wel door geleerd hoe je moet redigeren. Schrijven is schrappen ja, maar ook een vorm van componeren. Ik ben nu een zeer strenge eindredacteur geworden.’

Misschien had hij daarom wel zo’n plezier in zijn vorige plaat Volume IV, die hij maakte met dezelfde muzikanten als zijn eerste drie albums eind jaren zeventig. ‘Een echte retroplaat, waarop we echt ons best deden te klinken als in 1979, maar dan met wijzere liedjes. Ik vond het heel leuk weer gewoon simpel te spelen, maar dacht ik, het kan nog minimaler.’

Voor Rain bedacht Jackson dus dat gitarist Gary Sanford maar moest wijken. ‘Een gitaar en een piano samen te laten spelen is hetzelfde als twee diva’s op een concertpodium: de een wil de ander verdringen.’

Jacksons bassist van het eerste uur Graham Maby en drummer Dave Houghton zijn wel te horen op Rain, maar het is Jackson zelf op piano die op de voorgrond treedt. Muzikaal is de plaat het meest vergelijkbaar met zijn, ook sterk op piano leunende, succesplaat Night And Day uit 1982.

‘Misschien, maar toen had ik nog nooit van Ramsey Lewis gehoord of van Horace Silver, bovendien had ik het nooit aangedurfd de begeleiding zo minimaal te houden. Terwijl een liedje als Solo (So Low) waarop alleen zang en piano te horen is, volgens mij monumentale en grootser klinkt dan alle orkestrale nummers die ik ooit heb opgenomen.’

De muziek stond zo er zo op, zegt Jackson. ‘Je moet de spontaniteit kunnen horen.’ Dat vind ik zo mooi aan The In Crowd van Ramsey Lewis, het klinkt alsof hij het ter plekke aan de piano bedenkt. In The Uptown Train breng ik hem ook een hommage, in een keer geïmproviseerd.’

De teksten kwamen wat moeizamer tot stand. ‘Drie jaar mee bezig geweest om precies te zijn. Sinds ik begreep dat een van mijn favoriete auteurs Graham Greene zijn boeken altijd hardop voor las voordat hij ze publiceerde, ben ik dat ook gaan doen. Los van de muziek, gewoon controleren hoe een tekst bekt. Nou, niet best meestal. De inhoud is gek genoeg nooit een probleem, het altijd de vorm waar het wringt.’

Die inhoud is overigens nooit autobiografisch, haast Jackson zich erbij te zeggen. ‘Ik begrijp niks van die mensen die hun hele hebben en houwen maar naar buiten gooien in hun teksten. Al toen ik 16 was en John Lennon hoorde vertellen dat hij voortaan alleen maar over hemzelf en over Yoko zou zingen, schrok ik me dood. Dapper, dacht ik nog even. Maar nee het is juist beschamend, want waarom zouden we willen weten wat er zich in de hersenpan of slaapkamer van Lennon afspeelt? Een schrijver moet iets bedenken niet alleen registreren.’

En de muzikant? ‘Die moet vooral niet doen wat men van hem verwacht’, zegt Jackson, ‘en de onvermijdelijke kritiek maar voor lief nemen. Als ik een symfonie schrijf kan ik dat niet volgens de klassieke wereld, maar ik win er wel een Grammy mee.’

Het ergste voorbeeld van de hokjesgeest maakte hij naar eigen zeggen mee in Los Angeles. ‘Bij wijze van ontspanning bracht ik in 1981 een plaat uit met oude jump blues en jive muziek, Jumpin’ Jive. We speelden die liedjes van Louis Jordan een keer in LA., en werden neergesabeld door de grote recensent Leonard Feather. Hoe durfden we een slaatje te slaan uit het werk van de man die straatarm gestorven was? Terwijl wij juist jonge mensen voor zijn muziek wilden interesseren.’

Vanaf dat moment had Jackson al besloten geen criticus meer serieus te nemen. Zijn publiek komt overal vandaan en heeft hopelijk ook lak aan die hokjesgeest. ‘De diversiteit van mijn publiek ontwaarde ik in 2000 bij een voorleessessie. Ik zag Japanse meisjes, een neger met dreadlocks en een lesbisch stel. Ha, dacht ik, de nachtmerrie voor iedere pr-machine. Maar mijn natte droom.’

Meer over