Wanneer stapt de eerste journalist op?

Slordigheid, weinig liefde voor feiten, lange tenen en overschatting van eigen kunnen kenmerken de Nederlandse journalistiek, stelt Theo Dersjant. Het wordt tijd dat ook falende journalistieke managers opstappen, om het vertrouwen met het publiek te herstellen....

Theo Dersjant

DE JOURNALISTIEK lijkt een cyclische professie. Met golfbewegingen dienen debatten over het zelfreinigend vermogen van de beroepsgroep zich aan. Daar ligt doorgaans een nieuwsgebeurtenis aan ten grondslag. De voorlaatste oprisping dateert alweer van de dagen na het noodlottige ongeval van een Britse prinses. Toenmalig staatssecretaris Aad Nuis hield de beroepsgroep voor dat er nu echt in eigen huis orde op zaken gesteld moest worden. Als de journalistiek niet zelf de eigen uitspattingen zou weten te beteugelen, aldus de D66-bewindsman, zou overheidsingrijpen in het verschiet liggen. Sindsdien gebeurde er niets substantieels.

En nu dient zich weer een debat aan over het zelfkritisch vermogen van de Nederlandse pers. Met als aanleiding wederom een kwestie met dodelijke afloop. De pers is slordig, nonchalant en onkritisch, poneerde Ton Elias, bij een debat in Den Haag en op 18 juli in de Volkskrant. Nee, journalisten staan wel degelijk open voor kritiek, riposteerde Jerôme Inen een dag later.

Elias heeft, hoewel hij zijn stellingen in Den Haag met wat onhandige voorbeelden trachtte te staven, natuurlijk goeddeels gelijk. Nederlandse media laten zich niet in de keuken kijken. Of juister gezegd: ze laten zich alleen in de keuken kijken als er goed nieuws te melden is. Wat dat betreft is het net het echte bedrijfsleven.

Journalisten nemen regelmatig anderen, politici niet in het minst, de maat. En terecht. Collega-mediabedrijven kunnen eveneens rekenen op een kritische benadering. Maar als het om zelfkritiek gaat, sluiten met een klap de communicatieve luiken. Vraag maar eens aan de makers van het tv-programma De Leugen Regeert hoe moeizaam journalisten tot medewerking aan een uitzending te bewegen zijn.

Zeker, in sommige mediabedrijven houden journalisten het eigen presteren kritisch tegen het licht. Maar waarom mag 'de klant' geen weet hebben van deze worstelingen, dilemma's, afwegingen, discussies en meningsverschillen op de redactievloer?

Op dezelfde bijeenkomst waar Elias zijn kritiek op de pers ventileerde, suggereerde internet-journalist Peter Olsthoorn het handelen van redacties zo nu en dan door buitenstaanders te laten onderzoeken. Zoals NBC, ABC en CBS een commissie van extern deskundigen aan het werk zetten na de collectieve miskleun bij de uitslag van de Amerikaanse presidentsverkiezing, zo zou een sjieke krant buitenstaanders een aanbeveling kunnen laten formuleren naar aanleiding van eerdere berichtgeving. Het spreekt dat dergelijke aanbevelingen dan openbaar behoren te zijn.

Verder is een reeks van maatregelen mogelijk en noodzakelijk om het vertrouwen van mediaconsumenten te behouden en deels te herwinnen. De Raad voor de Journalistiek zou de eigen taakopvatting veel breder moeten beschouwen. Nu komt die club alleen in actie na een klacht door een betrokkene. Waarom zou een 'gewone' media-consument niet mogen klagen? Wat is er gebleven van het voornemen van de Raad 'ambtshalve uitspraken' (uitspraken zonder klacht) te doen?

Journalistieke managers zouden voorts bereid moeten zijn afstand te doen van hun baan na een elementaire uitglijder. Waar de media politici nogal eens verknochtheid aan het pluche onder de neus wrijven, is er bijkans geen beroepsgroep zo ongevoelig voor het eigen feilen als journalisten. Zo verzuimden de makers van de NCRV-documentaire Verborgen Moeders wederhoor toe te passen na een beschuldiging van incest. Het had de eerstverantwoordelijke journalist bij de NCRV gesierd als hij of zij ontslag had ingediend. Niet omdat er sprake zou zijn van schuld, maar wel omdat er sprake is van een geschonden vertrouwen tussen journalistiek/omroep en publiek (het kan overigens nog steeds). Nu gingen ook bij de NCRV de luiken dicht.

Hoe het ook kan liet de Vlaamse krant De Morgen eind 1999 zien. In dat jaar stelde adjunct-hoofdredacteur Ludwig Verduyn zijn functie ter beschikking nadat hij journalistiek gebruik had gemaakt van door derden aangeleverde vervalste documenten. Verduyn kon er maar weinig aan doen, maar stapte op 'om het vertrouwen van de lezer in de krant te herstellen'.

Wanneer is in Nederland voor het laatst een journalistiek manager opgestapt wegens een publicatie of programma? Zelfs na KRO's 'hoofden-affaire' rolden geen koppen. Waarmee de journalistiek - op enkele uitzonderingen na - nu al jarenlang naam maakt als een in zichzelf gekeerde betweterige beroepsgroep, die slechts intern het eigen functioneren wenst te bespreken en waar geen werkelijke verantwoording wordt afgelegd voor het eigen handelen of feilen. Slordigheid, nonchalance, tijdgebrek, weinig liefde voor feiten, lange tenen, overschatting van het eigen kunnen en een gebrek aan zelfkritiek zijn daarbij in het oog springende eigenschappen.

Meer over