‘Wanneer ik thuiskwam, voelde ik direct bij binnenkomst de spanning’

Hij was de opstandige zoon van een dorpsnotabele. Pas veel later besefte Hugo den Toom (38), business- en marketingstrateeg, dat die opstandigheid ook iets te maken heeft gehad met de sluimerende spanningen in het huwelijk van zijn ouders....

‘Ik was een lastige puber, geen makkelijk mannetje. Ik stookte fikkies, vernielde de auto van een leraar, bezondigde me aan kruimeljatwerk. Allemaal pogingen, denk ik nu, om me te ontworstelen aan het juk van het nette gezin dat we waren. Ik was de zoon van de dorpsdokter in een gemeente van amper drieduizend zielen. Daar was de dokter nog echt een notabele. Hij werd gesteund door mijn moeder die de administratie deed en de apotheek, en die zich zeer bewust was van haar rol in de gemeenschap.

De spanningen in het huwelijk van mijn ouders bleven voor de buitenwereld verborgen. Ik denk dat ze vonden dat ze een voorbeeldfunctie hadden. Er waren thuis weleens scherpe woordenwisselingen, de sfeer was soms onveilig. Tegelijkertijd gingen mijn ouders ook goed met elkaar om. Ik beschouwde hun aanvaringen niet als alarmerend. Ik wende eraan, ze waren min of meer vanzelfsprekend.

Van lieverlee werden de echte gezinsmomenten schaarser. Mijn vader dook dieper in zijn werk. Mijn moeder zat vaak in Praag, waar ze een pied-à-terre had en veel tijd doorbracht met vrienden met wie ze goed kon praten. Met een van hen, een man met een briljante geest, had ze een platonische relatie.

Toen ik ging studeren, hield ik intensief contact met mijn ouders. Dat is zo gebleven tot op de dag van vandaag. Maar wanneer ik thuiskwam, voelde ik de spanning direct bij binnenkomst: nog vóór er iets gezegd was sloeg de meter uit, daar ontwikkelde ik een sensitiviteit voor. Die aanhoudende spanningen waren, net als vroeger, geen gespreksonderwerp. Mijn ouders koesterden het gezonde standpunt dat je huwelijkse besognes hooguit met vrienden besprak, niet met je kinderen. Ook ik vond dat het hun zaak was, niet de mijne. Maar ik dacht vaak: gingen ze maar uit elkaar, dan zouden ze een stuk gelukkiger zijn.

Het is er uiteindelijk toch van gekomen, in 2003, toen ze al 35 jaar met elkaar getrouwd waren en allebei de 65 waren gepasseerd. De verwijdering begon door te zetten vanaf het moment dat mijn vader gepensioneerd was en de totale vrijheid binnen handbereik kwam. Mijn ouders leidden steeds meer hun eigen leven. Als ze al eens samen waren, was het bepaald geen vrolijke boel.

Mijn vader verhuisde naar een andere gemeente, mijn moeder bleef in dat onnoemelijk grote ouderlijk huis, dat met zijn opgedoekte praktijk de trekken kreeg van een spookhuis. Zij had het erg moeilijk, in die tijd, terwijl mijn vader juist opbloeide. Mijn moeder kreeg behalve de scheiding ook een andere klap te verwerken: haar Praagse vriend overleed en daarmee kwam er een eind aan haar bezoekjes aan Praag.

Zij had zich altijd ingezet voor het werk van mijn vader en het gezin, en nu bleef ze alleen achter. Ik denk dat ze vond dat zij een groter offer had gebracht dan mijn vader, en dat ze dit niet had verdiend. Inmiddels gaat het beter met haar. Ze voelt zich goed bij haar vrienden en kleinkinderen, en het contact met mijn vader verloopt best soepel: als er een lampje stuk is, belt ze hem op en dan komt hij dat verwisselen. Alleen zijn vriendin is en blijft als gespreksonderwerp taboe.

Achteraf denk ik dat het misschien toch beter was geweest als ik in een eerder stadium met mijn ouders over hun problemen gesproken had. Het zou de dingen in mijn eigen leven beter in perspectief hebben geplaatst. Ik heb lange tijd last gehad van conflictvermijdend gedrag. Dat heeft voor problemen gezorgd in mijn relaties. Ik wilde geen confrontaties – dan maakte ik er liever een eind aan, of ik liet dat aan de ander. Ik heb vaak mijn kop gestoten voor ik eindelijk ging nadenken.

Mijn eerste liefde confronteerde me – te vroeg in mijn leven, weet ik nu – met een zwangerschap. Ik liep daarvoor weg en hoewel haar woede daarover misschien terecht was, zorgde het ongewild voor een breuk met zowel moeder als zoon. Kort daarna ontmoette ik een nieuwe soulmate, met wie ik in 2004 trouwde. In 2005 was ik alweer gescheiden. De confrontaties met mijn ex kon ik niet altijd plaatsen. Ik was te veel met mezelf bezig, zij voelde zich emotioneel niet herkend en erkend. Mijn ouders reageerden bitter op de scheiding. Ze begrepen het niet. Een geconsumeerd huwelijk was het, in hun ogen: trouwen om het feestje en erna was het alweer voorbij.

Maar ik heb actie ondernomen. Ik woonde bijeenkomsten bij waar herkenbare verhalen werden verteld die me aan het denken zetten. Ik weet nu dat confrontaties niet per definitie tot ruzies leiden. Sterker nog: als je over het lef beschikt om een confrontatie aan te gaan en je over het vertrouwen beschikt dat het goed kan komen, kan een aanvaring de lucht enorm klaren.

Sinds een jaar leef ik samen met mijn nieuwe vriendin, die twee dochters heeft uit een eerdere relatie. 38 ben ik nu, en ik heb het idee dat ik nu pas begin te begrijpen hoe het leven in elkaar steekt. Ik stap minder vaak in oude valkuilen: we voelen elkaar goed aan, we zijn open tegen elkaar, en soms knalt het daardoor. Maar daarna, weet ik, volgt er een dikke vette zoen en staan de meisjes te juichen: ‘Tongen! Tongen!’’

Meer over