Wanhoopsmoeder

In ieder leven vinden drama's plaats...

Geliefden worden gek en beroven zich van het leven, kanker en Alzheimer slaan toe, er breekt oorlog uit of een vloedgolf vaagt je woning weg. Dat is allemaal heel erg, maar vreemd genoeg slagen de meeste mensen erin na een periode van verdriet de draad van hun leven weer op te pakken, sadder and wiser. Je moet ook wel, want je omgeving krijgt na een paar maanden genoeg van je gezeur.

Anna Enquist heeft een paar jaar geleden haar dochter verloren. Dat is heel rot voor haar. In plaats van zich met haar verdriet terug te trekken, heeft Enquist de publiciteit gezocht. Sindsdien gaat ze door het leven als die droevige mevrouw die zo aangrijpend over haar dochter schrijft. Haar nieuwe bundel De tussentijd is geheel aan dit verdriet gewijd. Nu is het niet uitgesloten dat iemand zijn ellende op de een of andere manier tot goede literatuur verwerkt, maar dat is hier niet gebeurd. Het boek bestaat van de eerste tot en met de laatste bladzijde uit larmoyante kitsch. 'Achteraan ging/de wanhoopsmoeder die al maanden/de kapper niet had gezien.' Schaamteloos sentiment, geformuleerd op een manier die zogenaamd erg diepzinnig is: 'En het besef dat zij/zich niet meer uitbreidt in mijn tijd.' Fraaie landschapjes: 'Strijklicht grijpt/het bevroren land.' Als navrant bedoelde details: 'Ik draag je groene vest.'

Daarbij komt Enquists ingewortelde neiging tot wat Tonnus Oosterhoff eens 'vozen in Florence' heeft genoemd: het noemen van erkende hoogtepunten uit de cultuurgeschiedenis Bach, Siena, Vermeer, Kafka, Pasolini en daar een persoonlijke ervaring aan vastknopen, die dan bij voorkeur wordt gedeeld met een bekende kunstenaar uit de vriendenkring van de dichter. Zo lezen we hoe Enquist in een badhuis te Boedapest met Rudi Wester over haar dochter heeft zitten praten, moeten we de indruk krijgen dat ze intiem bevriend is met Gerrit Kouwenaar, en blijken fuga's de dood van de dochter te verklanken: 'Zij verdwijnt/in het stilste accoord, onhoorbaar//zingend, met geweld gestorven.'

Het meest gnt is een gedicht dat in een Parijse hotelkamer speelt: 'Jij, al anderhalf/jaar dood, zat tegenover mij. Ochtend.' Een neger brengt ontbijt, de moeder schuift een croissant op het bordje van haar ingebeelde dochter: 'hier, dat vind je lekker, kletste ik.' Aan de oprechtheid van deze gedichten behoeven we niet te twijfelen. Maar wil Enquist ook door poelezers nog au seux genomen worden, dan zal ze moeten ophouden haar verdriet te etaleren.

Meer over