Wandelende jongeheren van stand

IN 1827 HIELD de Amsterdamse hoogleraar klassieke talen en geschiedenis David Jacob van Lennep voor het genootschap Doctrina et Amicitia een voordracht getiteld: 'Verhandeling over het belangrijke van Hollands grond en oudheden voor gevoel en verbeelding', de ouverture tot de Nederlandse historische romantiek, naar de geschiedenis wil....

Een hele reeks historische romans zou nog volgen: Jacob van Lennep werd een van de populairste romanschrijvers van de negentiende eeuw, en ook een van de gezaghebbendste literaire figuren. Door zijn bemiddeling werden de gedichten van De Schoolmeester, een goede vriend van hem, uitgegeven, de Max Havelaar van Multatuli, in gezuiverde vorm, eveneens.

De volgzaamheid van de zoon kan wat ongewoon aandoen; de vader was liberaal en de zoon was in zijn studententijd, onder invloed van Bilderdijk, aangeraakt door de ideeën van Het Réveil, een rechtzinnige protestantse, anti-liberale beweging, anti-revolutionair dus. Hij was bevriend met een van de voormannen van de beweging, Isaäc da Costa. Zijn religieuze ernst sloot lichtzinnigheid allerminst uit, zoals later zijn burgerlijke voornaamheid en deftigheid ook een vrijmoedige keerzijde kenden. Van Lennep heeft nogal wat verspreide kinderen gehad, de oudste verwekte hij in zijn studententijd. Zijn belangrijkste historische werk was de uitgave van een twaalfdelige editie van Vondels werk, waaraan hij zo'n twintig jaar werkte. Al zijn werken zijn nu, ruim honderddertig jaar na zijn dood, onechte kinderen van de literatuur. (W.F. Hermans zag een gelijk lot voor de romans van Vestdijk, toen hij hem de Van Lennep van de twintigste eeuw noemde.)

In 1823 - Van Lennep was toen 21 jaar en net afgestudeerd in de rechten (heel snel, hoewel hij, naar eigen zeggen, meer gebiljart en gelezen dan gestudeerd heeft) - moet hij nog door de opwekking van zijn vader geraakt worden. In de zomer van dat jaar is van historische belangstelling bij hem weinig te merken. Hij maakt tussen 28 mei en 2 september met zijn vriend, de 25-jarige Dirk van Hogendorp, een voet reis door Nederland. Deze Dirk was de zoon van Gijsbert Karel van Hogendorp, de grote staatsman, aan wie de Oranjes het koningschap danken.

Beiden hielden tijdens de tocht een dagboek bij, Van Lennep in de vorm van brieven aan zijn zus (daardoor bleef ook de vader op de hoogte). Van Lennep is met de herschrijving van de brieven tot een echt dagboek begonnen, maar wanneer hij bij 8 augustus is beland, stopt hij. De brieven aan zijn zus over de resterende weken zijn bewaard gebleven. Het dagboek, in de bewerkte vorm, moet voor publicatie bestemd zijn geweest; de 'lezer' wordt enkele keren aangesproken.

Het zou tot 1942 duren voor het dagboek, zij het met weglatingen, werd uitgegeven. Dat gebeurde door de eens legendarische M. Elisabeth Kluit, die Het Réveil-archief in de Amsterdamse universiteitsbibliotheek beheerde. Zij gaf de uitgave de titel Nederland in den goeden ouden tijd; die weemoedsvolle titel kan de verkoop midden in de bezettingstijd bevorderd hebben. In haar 'Inleiding' schreef zij een mooi dubbelportret van de twee jonge reizigers.

Nu is eindelijk een volledige uitgave van het dagboek verschenen - de door Van Lennep herschreven tekst en de brieven over de laatste drie weken. Lopen met Van Lennep is de toeristische titel ervan. Geert Mak en Marita Mathijsen hebben aan het boek meegewerkt. De eerste schreef een inleidend stuk over het jaar 1823, in het algemeen, maar ook verbijzonderd naar gegevens uit het dagboek toe; Marita Mathijsen hertaalde de tekst in modern Nederlands. Samen schreven ze het nawoord, waarin we beide figuren in de rest van hun leven kunnen volgen.

Literair-historische uitgaven verschijnen tegenwoordig vaak in een context. De aanwezigheid van Mak kan wellicht even verwonderen - want het gaat om de eeuw van zijn overgrootavder - maar hij heeft de tocht van de twee nagelopen en dat leverde een serie van negen televisieuitzendingen op, die op 29 november begint en die De zomer van 1823 heet. Vanaf 30 november wordt in het radioprogramma Sporen de reis ook gevolgd en op maandag 27 november wordt een aan het dagboek gewijde tentoonstelling geopend in het kasteel Groeneveld in Baarn.

De tocht gaat door alle Nederlandse provincies, Limburg uitgezonderd. (Het Belgische deel van het Koninkrijk der Nederlanden wordt niet bezocht.) De noordelijke provincies krijgen de meeste aandacht; later lijkt het reizen gehaaster en de belangstelling vluchtiger te worden. Lopen konden de twee jongeheren van stand in elk geval verbazend goed. Zij legden per dag grote afstanden af en nagenoeg altijd over nauwelijks begaanbare wegen. Slechts vijfhonderd kilometer weg was in 1823 bestraat. Komen zij in een plaats aan, dan gaan ze vrijwel onmiddellijk, onvermoeibaar, die plaats verkennen, waarbij zij zich vaak bij een aanzienlijke bewoner melden. Zij hebben niet alleen aanbevelingsbrieven bij zich, maar via de families en hun beider studie in Leiden kennen zij ook veel mensen. De heersende klasse lijkt in het Nederland van toen een vrij hecht netwerk. Er is gezegd dat de tocht ook ter versterking van die relaties is gemaakt.

Maar de twee hebben zichzelf de reis ook als een inspectietocht opgelegd. De Van Lenneps en Van Hogendorpen houden het land in de gaten! Zij keuren scholen, gevangenissen, bedelaarskolonies, het volkskarakter - uiterst negatief zijn ze over de Groningers en de Friezen - maar ook de rogge en de tarwe op de velden. Als een zelfbenoemde visitatiecommisie loopt het duo door het land, de ransel - 'rugzak' hertaalt Marita Mathijsen - en hun bagage voor hen uit of achter hen aan. Zij eten en drinken er vaak goed van: per persoon soms een dertigtal kopjes thee of twintig koppen koffie (we zitten nog vlak bij de eeuw van de koffiehuiscultuur, de achttiende) en naarmate de tocht vordert, neemt de consumptie van rijnwijn toe. Tegen het einde maken zij nogal eens gebruik van de diligence of de trekschuit - ze worden moe of de tocht gaat hun vervelen. Het steeds beknopter worden van de beschrijvingen doet het laatste veronderstellen.

Van Lennep kijkt veel beter rond buiten op het platteland dan in dorpen of stadjes. Zijn natuurbeschrijvingen, hoe conventioneel ook vaak, zijn het beste. Langs bijna alle geschiedenis kijkt hij in de stadjes heen. Zijn dagboek is in wezen uiterst oppervlakkig, van informatie en van stijl. En hij schrijft toch over streken en plaatsen die voor hem nieuw waren, en voor de ontvanger van zijn brieven even onbekend.

Er is één schitterende uitzondering: het verslag van zijn bezoek aan de bedelaarskolonie Ommerschans. Dat stuk had verdiend als een afzonderlijk pamflet te verschijnen. Het is een grote, feitelijke aanklacht tegen de wantoestanden. De sociale geest van Het Réveil wordt hier in hem heel goed zichtbaar. Zijn altijd babbelende taal verstrakt zich hier ook: hij heeft echt iets mee te delen en aan de natie te rapporteren.

De tocht is ook een kruistocht tegen vele nieuwe ideeën, de 'moderne' leegheid van het bestaan, vooral onder nieuwe rijken. Hoe prijst hij de eenvoud in de meest primitieve provincie, Drenthe. Hij, en waarschijnlijk Van Hogendorp ook, weet precies wat goed is voor het land, met de arrogantie van oude regentengeslachten.

Om zichzelf of de lezer te verpozen heeft Van Lennep nogal wat gedichten tussen zijn aantekeningen gevoegd. Hij had het beter kunnen laten. Zo wordt een ode op Gaasterland aangeheven:

Pronkt Arnhem met zijn wandelpark of aangename laan,

Pronkt Haarlems weelderig oord met duizendvoudig schoon,

Niet minder eer wordt jou, o Gaasterland, gegeven

Niet minder schoonheid stel jij aan ons oog ten toon.

Van Lennep was boven alles een heel gelukkige wandelaar, want langs alle wegen, paden en lanen heeft hij het vooral met zichzelf getroffen. En alle vrouwen en meisjes die hij ontmoet, met hem. Met Van Hogendorp minder. Na de reis heeft hij hem nooit meer teruggezien.

Dat hij het herschrijven van de brieven tot dagboek abrupt afbreekt - ik heb er een genadige verklaring voor. Zijn eigen tekst moet hem zijn gaan vervelen, zijn eigen oppervlakkigheid ook.

Zijn dagboek wordt pas goed in wat het beste stuk van de nieuwe uitgave is: de inleiding van Mak. Hij gebruikt het dagboek voor een historische verkenning van de tijd rond 1823 en kiest precies de juiste citaten. Het is soms leuker over een boek te lezen dan het boek zelf. Lopen met Van Lennep - het zal best aardig zijn. Als hij er zelf niet bij is.

Meer over