Wachten als een zielig vogeltje

Thrillerauteur Marion Pauw wordt alom geroemd om haar inlevingsvermogen. Haar eigen verklaring: ‘Je overleeft door goed naar anderen te kijken’....

‘Autisme leent zich heel goed als onderwerp voor een thriller omdat een autist de wereld en de mensen om hem heen niet begrijpt en zich daardoor continu onveilig voelt. En thrillers gaan natuurlijk over onveiligheid.’

Ze werd uitvoerig geprezen in juni, bij de uitreiking van de Gouden Strop, de jaarlijkse prijs voor het beste Nederlandstalige spannende boek, voor haar thriller Daglicht. Naast de waardering van stijl, taal en opbouw werd haar inlevingsvermogen – in een autistische hoofdpersoon – en moed om persoonlijke omstandigheden te verwerken, hooggeacht. Haar zoon, zich niet bewust van het officiële gedoe, liet luidkeels blijken dat hij het fantastisch vond. Hij heeft het syndroom van Asperger, een aan autisme verwante stoornis.

Marion Pauw kan zich, zeker sinds de prijs, rekenen tot de stroming Nederlandse vrouwelijke thrillerauteurs die volgens veel critici niemendalletjes, oestrogeenthrillers, vermomde damesromans (of: wel leuke boekjes) schrijven, als het maar geen literatuur genoemd wordt. De dames gaan er lachend vandoor met hoge tot zeer hoge verkoopcijfers. Het onderwerp duikt zo vaak op, dat we er niet omheen kunnen.

Pauw: ‘Ik denk dat ik inderdaad deel uitmaak van de literaire thrillerstroming die er nu is. Maar ik probeer wel aan de bovenkant ervan te gaan zitten. Het is niet altijd literatuur, ook al staat het op een omslag, maar ik streef wel degelijk naar literaire kwaliteit. Bepaalde mensen moeten af van een vastgeroeste mentaliteit. Cultuur, literatuur, ontwikkelt zich en verandert, net als de maatschappij. Dan kan je niet blijven aankomen met dezelfde waarde-oordelen als die van twintig of vijftig jaar geleden.

Zelf wil ik geen formuleschrijver zijn. Ik wil telkens iets nieuws doen. Nicci French is bijvoorbeeld typisch een formuleschrijver. Je weet van tevoren wat het gaat worden, maar je vindt het lekker om te lezen, dus doe je dat. En ze zijn natuurlijk heel goed in hun formule. Maar ik wil mezelf blijven vernieuwen. Ik merkte dat na het succes van Daglicht mensen mijn nieuwste boek, Zondaarskind, gaan lezen en verwachten dat het Daglicht II is. Daar begin ik niet aan, ik wil het spannend houden voor mezelf. Als ik eenmaal het gevoel heb dat ik een kunstje onder de knie heb, dan wil ik weer een nieuw kunstje uitproberen. Er zit dan ook een stijgende lijn in mijn werk.’

Werden haar eerste boeken, Villa Serena (2005) en Drift (2007) – los gebaseerd op de Natalee Holloway-zaak – zuinig gewaardeerd, met Daglicht bewees ze alle onderdelen van een spannend verhaal perfect te kunnen verenigen. Iris, een jonge advocate, alleenstaand, met een zoontje dat veel aandacht eist, stuit door een toeval op Ray, die in een tbs-kliniek zit voor de moord op zijn buurvrouw en haar dochtertje. Mooi, intelligent en verrassend uitgewerkt.

‘Ik heb altijd meerdere onderwerpen in mijn hoofd die samen moeten komen en ik heb ook een punt aan de horizon waar ik naar toe wil, maar ik schrijf in eerste instantie vrij intuïtief. Achteraf vallen de puzzelstukjes op hun plaats. Ik neem een aantal onderwerpen, personages, een interessante setting, dan schrijf ik mijn eerste versie en daarna pas zie ik duidelijk wat er in zit.

Zo is Ray erg bezig met zijn zoutwateraquarium, dat is een zeer ingewikkeld, fragiel systeem. Hij zorgt extreem goed voor zijn vissen.

Ik had het aquarium ten tonele gevoerd omdat ik het lekker pietluttig vond, en om een bepaalde link te leggen tussen mensen. Later begreep ik dat het een symbool is. Hij probeert de veilige wereld te creëren die hij zelf nooit heeft gekend.

Na die eerste versie kijk ik wat de rode draad is, welke dingen versterkt en uitgediept moeten worden en welke niet, en daarna ga ik pas accenten leggen. Ik doe heel veel research. Van autisme wist ik door mijn zoon natuurlijk al vrij veel, hoewel hij een ander soort autisme heeft dan Ray. Maar bij een kind zie je al hoe de buitenwereld reageert op soms heftig of onverklaarbaar gedrag. Als ouder krijg je een vrij dikke huid, maar voor het kind geldt dat niet. Die krijgt zo veel negatieve feedback. Als iedereen hem altijd maar stom vindt en hij ontvangt alleen maar vervelende respons, dan is dat heel erg. Hoe de buitenwereld op Ray reageert is essentieel voor het verhaal. Daarnaast heb ik nog research gedaan in het bakkersvak, in een tbs-kliniek, bij de advocatuur en in een aquariumzaak.’

Voor het pas verschenen Zondaarskind hield Pauw zich aan haar woord en koos voor een geheel ander onderwerp. Zo’n blonde, grote borstenvrouw van in de dertig met een verkeerde vriend, die in veel boeken opdraaft, moest het zeker niet worden. Ze houdt sowieso niet van mutsige vrouwen. Dus werd het de 80-jarige Geertruida Amalia Langhout. Ze woonde nog op zichzelf tot ze door een ongelukkige val tijdelijk naar een bejaardentehuis moest. Het verleden komt terug. Al jong haar ouders en zusje verloren door een brand in hun café, opgegroeid bij de godvergeten liefdeloze Zusters van Liefde in Het Maagdenhuis, waar iedereen een nummer had in plaats van een naam. Op haar achttiende dienstbode bij een welgestelde familie in Bussum, waar de oudste zoon haar bemint en zijn verloofde haar wreed straft. En nu, voor ze het goed en wel wist, is ze tachtig, ontmoet ze toevallig de vrouw die haar leven heeft verminkt en geruïneerd, en kan ze alleen nog maar aan wraak denken. Die ze ook uitvoert. Deel I van het boek bestrijkt voornamelijk het verleden, in deel II volgt de moeilijke, maar bevredigende wraakactie. Met zowaar een afloop die op een happy end lijkt.

‘Het verhaal moest zich onder meer afspelen in de jaren dertig en vijftig. Het Maagdenhuis zou een rol vervullen en ik wilde als hoofdpersoon iemand aan wie haar hele jeugd is verteld dat ze niemand mocht zijn. Niet zelfstandig mocht denken, moest gehoorzamen, iemand aan wie zowat het hele bestaansrecht wordt ontnomen. Het duurt verschrikkelijk lang om daar overheen te komen. En na jaren is er het moment dat ze zegt: nú neem ik het heft in eigen handen.

Ik ben zelf niet katholiek, maar wel religieus opgevoed. Dat liefdeloze heb ik niet meegemaakt. Maar in naam van een religie worden mensen onderdrukt, wordt kinderen verteld dat ze geen mening mogen hebben en moeten doen wat God zegt, erger, wat de dominee zegt. Ik heb er lang over gedaan om mezelf aan te leren ergens iets van te vinden. Zelf grenzen te stellen. Als je dat niet krijgt aangeleerd in je kindertijd vanwege het geloof, dan heb je nog wel een achterstandje in te halen.

‘Klasseverschil is ook een onderwerp in het verhaal. Geertruida, Truitje, werd door de familie bij wie ze werkte eerst zogenaamd aardig ontvangen, maar algauw steeds schandaliger behandeld. Van mijn veertiende tot mijn zeventiende, toen ik in Putten woonde, had ik verkering met de zoon van de tandarts. Mijn vader had in die tijd door omstandigheden een schoorsteenveegbedrijf. Die ouders van hem keken zó op mij neer. De vader zei tegen hem: ze kan wel zeggen dat ze aan de pil is, maar je moet toch maar een condoom gebruiken, want je weet het nooit met dat soort meisjes. Dat superioriteitsgevoel, dat bekakte, het was om te kotsen. In de jaren tachtig, niet eens heel lang geleden.

De positie van ouderen in de maatschappij is ook zeer aan de orde. Ondanks de kleine budgetten denk ik dat veel ouderen een redelijke verzorging krijgen in de diverse tehuizen. Maar wat iemand tot individu maakt, wordt helemaal weggevaagd. Je moet meedraaien in het systeem en vooral niet zeuren, al was het maar om een tweede kop koffie. Veel mensen staan ook buiten de maatschappij, komen niet of nauwelijks buiten. Een oudere die ooit een persoonlijkheid was, waar een heel verhaal aan vastzit, wacht nu als een zielig vogeltje tot het lunchtijd is. Ze worden afgeblaft of aangesproken met ‘lieverd’. Lieverd, ga je mee? Zo schat, heb je je koffie lekker opgedronken? Die toon.

Bij dat alles hoort wat mij betreft ook relativering, humor. Dat sluipt er bij mij automatisch in. Als je lezers zulke zware kost toedient, moet je ze af en toe ook een break geven, een moment om op adem te komen, voordat je weer een bak ellende over ze heen stort.’

Wat moet het tempo van een thriller zijn? Bestaat daar een bepaalde klassieke opbouw voor? Het viel Marion Pauw op dat veel mannelijke recensenten vonden dat het eerste deel te traag was, te veel achtergrond, te weinig actie.

‘Vrouwen waarderen dat juist. Deel I speelt zich af in een andere tijd, waarin dingen langzamer gaan. Het moest ook duidelijk worden dat Truitje een heel sterk motief had om wraak te nemen. Als ik dat te kort en oppervlakkig neerzet, doe ik haar onrecht aan, want dan maak ik haar in wezen onsympathieker dan ze is. Deel I geeft deel II diepte.

En wat is spannend? Als er een dode valt? Je ziet in meer literaire thrillers een lange spanningsopbouw. Ik heb geen zin om vastgezet te worden in de spanningsboog van iemand anders.’

Ze vindt het een mooi compliment dat haar inlevingsvermogen zo op waarde wordt geschat, waardoor zeer uiteenlopende personages sterk uit de verf komen.

‘Het heeft te maken met nieuwsgierigheid. Ik wil altijd graag weten hoe iets precies zit. Blijkbaar lukt het mij dan ook om het goed op papier te zetten. Dat is geen bijzondere verdienste, daar hoef ik niet extra hard aan te werken, dat is iets wat mij van nature goed afgaat.

Toen ik zes jaar was ben ik van Tasmanië naar Nederland verhuisd. Ik sprak de taal niet, het was een andere cultuur, en ik heb me moeten aanpassen. Je overleeft door heel goed naar andere mensen te kijken. Zo heb ik het aangeleerd. Ik probeer mij ook altijd in te voelen in anderen, mij af te vragen: waarom zou je zoiets doen? Wat beweegt je?’

Meer over