nieuws

Waarschuwing Rekenkamer aan nieuwe Kamerleden: let goed op waar extra onderwijsgeld blijft

Wijs geworden door eerdere onderzoeken adviseert de Algemene Rekenkamer scherp toezicht op de 8,5 miljard voor onderwijs na corona.

Leerlingen van het Veenlanden College in Mijdrecht. Beeld Marcel van den Bergh / de Volkskrant
Leerlingen van het Veenlanden College in Mijdrecht.Beeld Marcel van den Bergh / de Volkskrant

Als vooraf geen goede afspraken worden gemaakt over controle op de aangekondigde miljardeninjectie in het onderwijs, zal straks onduidelijk blijven of de beoogde resultaten zijn behaald. Van eerdere extra middelen voor het onderwijs, bijvoorbeeld om de werkdruk onder leraren te verminderen, is nooit komen vast te staan hoe effectief dat geld is besteed.

Met deze waarschuwing komt de Algemene Rekenkamer in een brief aan alle nieuwe leden van de Tweede Kamer op de dag dat zij worden beëdigd. De onderwijsministers Ingrid van Engelshoven (D66) en Arie Slob (ChristenUnie) kondigden op 17 februari een Nationaal Programma Onderwijs aan, dat zicht moet bieden op ‘herstel en perspectief’ na corona. Door de lockdown zijn scholen en universiteiten, en daarmee scholieren en studenten, zwaar getroffen.

Achterstanden wegwerken

Voor het herstel is over een periode van 2,5 jaar in totaal 8,5 miljard euro uitgetrokken. Daarvan is 6 miljard voor het basis- en voortgezet onderwijs, de rest gaat naar het beroeps- en hoger onderwijs. Met het geld moeten onderwijsachterstanden worden weggewerkte en dient ‘ademruimte’ te worden gecreëerd om sociaal-emotionele schade te herstellen.

De Rekenkamer vindt, wijs geworden door eerdere onderzoeken naar de besteding van onderwijsgelden, dat de Kamer en de bewindslieden eerst goed moeten afspreken hoe die doelen precies worden geformuleerd en hoe de beoordeling van de resultaten daarna plaatsvindt. Pas dan zou het geld naar de onderwijsinstellingen moeten worden overgemaakt. Gebeurt dat niet, dan zien de rekenmeesters drie risico’s.

Drie risico’s

Ten eerste kunnen scholen, die een grote mate van autonomie kennen, plannen gaan maken waarvoor het geld niet is bedoeld. Een tweede risico is dat het geld wel wordt besteed, maar dat onduidelijk blijft wat de resultaten zijn. Omdat het om publiek geld gaat, moeten de maatschappelijke doelen controleerbaar zijn. En tenslotte dreigt zonder duidelijke afspraken vertraging bij het uitvoeren van plannen.

Deze risico’s komen mede voort uit de lumpsum-financiering van het onderwijs: scholen krijgen volgens een bepaalde formule een zak geld en kunnen zelf de besteding kiezen. Van de eerder uitgekeerde extra middelen voor verlichting van de werkdruk heeft de Rekenkamer vastgesteld dat ze vaak zijn toegevoegd aan de algemene middelen van een scholenkoepel, omdat nieuwe leraren niet te vinden waren. In de volksmond: het geld verdwijnt dan in een bodemloze put.

De Rekenkamer adviseert, mochten zulke situaties zich nu weer voordoen, om het extra geld dan in een apart ‘bestemmingsfonds’ onder te brengen. De 6 miljard voor basis- en voortgezet onderwijs betekent dat een gemiddelde basisschool omgerekend 180 duizend euro ontvangt en een middelbare school 1,3 miljoen euro.

Verantwoording

‘Lumpsumbekostiging betekent weliswaar dat schoolbesturen bestedingsvrijheid hebben over de publieke gelden die ze ontvangen, maar tegelijkertijd betekent dat volgens ons ook dat daar een passende publieke verantwoording bij hoort’, schrijft de Rekenkamer. Die verantwoording zou ‘uniform’ moeten zijn: nu is de praktijk dat schoolbesturen ‘een grote variatie’ kennen in de manier waarop ze dat doen.

Dat vindt de Rekenkamer onwenselijk. ‘Duidelijkheid vooraf maakt het Nationaal Programma Onderwijs beter uitvoerbaar, navolgbaar en creëert de mogelijkheid om tussentijds van gerealiseerde resultaten te leren.’ Een ‘slim en slank informatiearrangement’ moet leiden tot een ‘gedeeld beeld’ over de maatschappelijke resultaten van het extra geld.

Meer over