Waarschuwing 2: wakker worden

Opnieuw is de concurrentiestrijd in het schaatsen heviger geworden, weer hebben de grootmachten terrein moeten prijsgeven. Oude wetmatigheden gaan niet meer op....

Van onze verslaggever Mark van Driel

Tot besluit van de WK afstanden verhief Erben Wennemars, de beste Nederlandse schaatser van de afgelopen drie jaar, zijn stem voor een boodschap. Over elf maanden beginnen de Olympische Spelen van Turijn. 'Laat dit een waarschuwing zijn.'

Opnieuw een waarschuwing?

Ook vorig jaar, nadat Chad Hedrick en Shani Davis de gevestigde orde de stuipen op het lijf hadden gejaagd, klonk die conclusie. Gelukkig, werd toen gezegd, hebben de Amerikanen ons twee jaar voor de Spelen wakker geschud. Er is tijd om te reageren.

Het antwoord is uitgebleven. Op Wennemars na - hij schreef in Salt Lake City geschiedenis door voor de tweede keer wereldkampioen sprint te worden - moesten de Nederlanders op de belangrijkste momenten het hoofd buigen. Terwijl elders (met name in Noorwegen) wel een forse inhaalslag werd gemaakt.

De ontwikkeling die vorig seizoen op gang kwam, heeft deze winter doorgezet: het schaatsen is onvoorspelbaar geworden, de concurrentiestrijd is verhevigd.

Vorig jaar pakte dat bij de vrouwen nog gunstig uit voor Nederland. De wereldtitels sprint en allround van Marianne Timmer en Renate Groenewold pasten in de trend dat winnaars uit een onverwachte hoek konden komen.

Dit seizoen hebben de traditionele grootmachten (Nederland bij de mannen, Duitsland bij de vrouwen) nog meer terrein moeten prijsgeven. De resultaten bij de WK afstanden in Inzell zijn veelzeggend.

Twee jaar geleden, in het post-olympische seizoen 2002-2003, verdeelden Nederland en Duitsland liefst negen van de tien afstandstitels. Vorig jaar waren dat er nog vijf. Afgelopen weekeinde werd het dieptepunt in negen edities van de WK bereikt: drie titels (de nieuwe discipline ploegenachtervolging niet meegerekend).

Schaatsers uit een recordaantal van zeven landen grepen in de Zuid-Duitse plaats de zege. De ploegen van Japan, Noorwegen, Amerika, Nederland, China, Canada en Duitsland keerden huiswaarts met één of meer gouden medailles.

Voor de sport is die ontwikkeling een zegen - de belangstelling van de media voor de WK in Inzell was overweldigend. Ook de Nederlandse supporters én schaatsers lijken doordrongen van het besef dat gouden medailles meer waard zijn als winst niet vanzelfsprekend is.

Dat neemt niet weg dat zo veel mogelijk winnen het streven van de Nederlandse rijders en rijdsters blijft. Of ze daarin zullen slagen, valt te betwijfelen.

Bij de vrouwen bleek de top smal. Timmer presteerde zoals zo vaak grillig, Groenewold vertoefde in gedachten vaak buiten de ijsbaan en Smit (vorig jaar winnares van twee zilveren WK-medailles) zag haar winter verloren gaan door een val, waarbij ze een hersenschudding opliep.

Ook in het olympisch seizoen kunnen kleine gebeurtenissen de kans op medailles drastisch beperken, al heeft zich ten minste één nieuwe titelkandidaat gemeld. De 18-jarige Ireen Wüst, de beste Nederlandse bij zowel de EK als de WK allround, moet vooral op de 1500 meter de strijd met de wereldtop aankunnen.

Bij de mannen zijn de zorgen van structurele aard. Ondanks de waarschuwing van vorig jaar is het gat met Hedrick en Davis, die alleen nog Jochem Uytdehaage voor zich moeten dulden op de wereldranglijst, eerder groter dan kleiner geworden. Bovendien hebben de Noren zich als tegenstrevers van formaat aangediend.

De breedte van de Nederlandse top is niet langer een garantie voor succes. Dit seizoen, met name afgelopen weekeinde, is gebleken dat een plaats bij de nationale top niet inhoudt dat een podiumplaats bij een WK vanzelfsprekend is. Alleen op de lange afstanden gaat die oude wetmatigheid nog op.

Veranderingen in de training hebben niet het gewenste effect gehad; sommige rijders werden ziek of raakten overtraind, anderen zijn simpelweg niet in staat zich net zoveel te verbeteren als de Amerikanen.

Ter verdediging van mindere prestaties voeren schaatsers en coaches vaak het hoge aantal selectiewedstrijden aan. Die rituele klacht doet onwaarachtig aan. Schaatsers en coaches hebben een belangrijke stem in de samenstelling van de kalender en hadden de last, als die te zwaar was, kunnen verminderen.

Wellicht heeft de achterstand op Davis en Hedrick een dieper liggende oorzaak.

De shorttracker - Davis is dit weekeinde bij de WK in China actief - en de voormalig skeelerkampioen (tevens een voorheen getalenteerd ijshockeyer) hebben van jongs af aan fanatiek gesport. Ze zijn met het ijs vertrouwd geraakt in de jaren waarin ze het gemakkelijkst leren. De meeste Nederlandse rijders hebben zich pas als tiener bij een schaatsclub gemeld.

Zou het toeval zijn dat Nederlands allergrootste talenten, de 18-jarige Sven Kramer en 20-jarige Beorn Nijenhuis, ook al op bijzonder jeugdige leeftijd diverse keren per week op het ijs stonden?

Meer over