Waarom Turken met voorzetsels strooien

Aan de manier waarop immigranten Nederlands praten, is te horen waar ze vandaan komen. Zo hebben Marokkanen moeite met de woordvolgorde in Nederlandse bijzinnen....

Mieke Zijlmans

ALLE volwassenen die proberen zich verstaanbaar te maken in een taal die ze niet of nauwelijks kennen, doen dat feitelijk op dezelfde manier. Of het nou Punjabi zijn die Engels leren, Spanjaarden die Zweeds willen praten, of Turken die zich in het Nederlands moeten redden. Resultaat is het gebroken taaltje dat we kennen van buitenlanders bij de bakker. De vakterm voor dat taaltje is 'basic learner variety'.

Dat was begin jaren negentig de conclusie van een langlopend onderzoek naar tweede-taalverwerving bij volwassenen, gefinancierd door de European Science Foundation (ESF). De onderzochte personen waren pas aangekomen migranten in Zweden, Groot-Brittannië, Frankrijk, Duitsland en Nederland die hun nieuwe taal 'op straat' moesten zien op te pikken.

Deze mensen werden zo'n half jaar na aankomst voor het eerst geïnterviewd, en kwamen vervolgens twee tot drie jaar lang één keer per maand praten tegen de opnameapparatuur van de onderzoekers. Nooit eerder is het proces van tweede-taalverwerving bij volwassenen zo grondig geïnventariseerd.

In al die tweede talen zie je migranten ongeveer hetzelfde leerproces volgen en dezelfde zinnen maken. In die gesimplificeerde basistaal, die basic learner variety, is de volledige structuur van de 'volwassenen'-taal al in de kern aanwezig, zegt het ESF.

Het lijkt erop dat de structuur van alle basistalen hetzelfde is, wat het lang gezochte bewijs zou kunnen zijn voor de stelling dat ook alle volwassen talen feitelijk dezelfde onderliggende structuur hebben. En: in deze basistalen zouden geen sporen zijn terug te vinden van de moedertaal van de taallerende volwassene.

Die algemene conclusie klopt volgens Tilburgse taalkundigen maar half. Juichen de ESF-onderzoekers vooral over de overeenkomsten tussen al die tweede-taalleerders, de Tilburgers zijn juist verrast over de opvallende verschillen. Je kunt, stellen ze, aan de zinnetjes van die migranten precies zien wat voor soort taal ze van huis uit spreken.

Vijf taalkundigen van de Katholieke Universiteit Brabant onderzochten en onderzoeken het ESF-materiaal en brengen die verschillen in kaart: dr. Peter Broeder, drs. Ineke van der Craats, dr. Jeanine Deen, dr. Saskia Schenning en drs. Marianne Starren.

Hun thuisbasis is het universitaire Centrum voor Studies van Meertaligheid in de Multiculturele Samenleving. Zij gebruiken de uitgewerkte gesprekken met twee Turken en twee Marokkanen, drie mannen en een vrouw, in het Nederlands. Hoewel deze 'steekproef' klein lijkt, is het het grootste en grondigste bestand van taaluitingen op dit gebied tot nu toe.

Al in de structuur van de nieuw geleerde basistaal krioelt het van de onderliggende verschillen. De structuur van de moedertaal kruipt aan alle kanten tussen de te leren taal door. Dat zie je aan het gekluns met de plaatsing van het werkwoord in de zin, aan het inzetten van voorzetsels en aan het gebruik van tijd-, ruimte- en plaatsaanduidingen. Of aan het wel of niet vervoegen van werkwoorden, aan het goed of fout gebruiken van het aanwijzend voornaamwoord 'die', en aan de manier waarop woorden wel of niet worden benadrukt.

De Tilburgse onderzoekers stellen daarom dat ze aan de basistaal, uitgeschreven op papier, meteen zien of ze te maken hebben met een pas gearriveerde Marokkaan of met een Turk. Wat de Turk zegt, kán taalkundig gezien niet eens uit de koker van de Marokkaan komen en omgekeerd. Dat komt doordat de moedertalen in hun structuur fundamenteel van elkaar verschillen. Dat verklaart ook waarom Punjabi in het Engels duidelijk andere zinnen maken dan Italianen in die taal.

De Tilburgse onderzoekers zien de verschillen in de Nederlandse basistaal van Turken en van Marokkanen op allerlei fronten. Er blijkt direct uit waarom Turken meer problemen hebben met Nederlands dan Marokkanen.

Grammaticaal wijkt het Turks namelijk sterk af van het Nederlands. Zo gebruikt het Marokkaans-Arabisch net als het Nederlands voorzetsels. Het Turks kent daarentegen geen voorzetsels, maar werkt met voor- en achtervoegsels die aan woorden worden geplakt, en met speciale vervoegingen van de werkwoorden.

Er is geen onderscheiden aanduiding voor 'in', 'op', 'aan' enzovoort: de toehoorder moet uit de context opmaken welke locatie wordt bedoeld. Geregeld worden al die contextuele aanduidingen zelfs nogal dubbelop gebruikt, letterlijk vertaald in het Nederlands zouden er twee of drie voorzetsels voor in de plaats komen.

Het gevolg is dat Turken de voorzetsels in het Nederlands in eerste aanleg maar helemaal weglaten. Dus wanneer de onderzoekers het zinnetje: 'Hij trein' tegenkomen, weten ze meteen dat het afkomstig is van een Turk, terwijl het zinnetje: 'Hij in trein' gezegd moet zijn door een Marokkaan.

Daar komt bij dat in het Nederlands voorzetsels altijd vóór het bijbehorende woord terechtkomen: naar huis, op de kast. Of, in geval van een bezitsrelatie: van mijn vader. Al dit soort zaken wordt in het Turks uitgedrukt met een achtervoegsel, vastgeknoopt aan het bijbehorende woord, dus zoiets als: 'mijn vader-van'. Zo kan het dat Turken ook bij het luisteren naar Nederlands niet herkennen dat er een voorzetsel is gezegd. Het staat voor hen op een onverwachte plek. Zelf strooien ze woorden als 'van' daarom ook op de verkeerde plaatsen door zinnen.

In het Turks is het normaal een extra voorvoegseltje aan te brengen om aan te geven op wat of wie in de zin de nadruk ligt. Turken leren in het Nederlands het woord 'die' om zo'n accent kwijt te kunnen.

Resultaat is dat constructies als: 'die mijn vader', of 'die mijn boek' veel voorkomen. Als ze dan ook nog die bezitsrelatie verhaspelen, kom je constucties tegen als: 'die mijn van vader' in plaats van 'van mijn vader', of 'schoonmoeder van de kop' voor 'op het hoofd van schoonmoeder'.

Marokkanen lopen aan tegen de verschillen in de woordvolgorde in zinnen. In het Marokkaans-Arabisch komt het werkwoord op de tweede plaats in de zin, net als in de normale Nederlandse hoofdzin: 'Hij gaat naar de trein'. In zulke constructies kan de Marokkaan dus zijn kennis van zijn eigen taal toepassen op de Nederlandse zinsstructuur.

Die truc mislukt echter wanneer er een bijzin moet worden gemaakt. Dan draait in het Nederlands de woordvolgorde om: '. . . dat hij naar de trein gaat', met het vervoegde werkwoord achterin de zin. Dat is niet te bevatten voor mensen met een Arabische achtergrond. Die regel druist totaal in tegen hun taalgevoel.

Stapels bewijzen als deze hebben de Tilburgse onderzoekers opgetekend in hun vervolgonderzoeken aan het ESF-materiaal. Daarom vinden ze de conclusie te kort door de bocht dat het karakter van de moedertaal geen invloed zou hebben op het leren van een tweede taal.

De onderzoekers van het ESF-project hebben domicilie in het Max Planck-insituut voor Psycholinguïstiek in Nijmegen. Zij betwisten de resultaten van de Tilburgse onderzoekers niet. Natuurlijk, zeggen ze, krijg je andere antwoorden als je vragen ook anders zijn. Hun interesse ging uit naar het feit dat elke taalleerder concepten als tijd en ruimte moet zien te vertalen, en minder naar de letterlijke vertaling. Is dat je kijk op de beschikbare gegevens, dan zijn de overeenkomsten belangwekkender dan de verschillen.

Meer over