Waarom matrozen geen hoezee willen roepen

Erik van den Berg deelt dagelijks een opmerkelijk fragment uit zijn verzameling historische dagboeken.

null Beeld thinkstock
Beeld thinkstock

Oudeschild, Texel, 16 augustus 1791

Om 9 uur waren we klaar om te vertrekken met het jacht dat ons aan boord van het schip genaamd Berkhout zou brengen. Het komt van Ceylon, beladen met specerijen voor de compagnie. Terwijl we aan boord gingen ontvingen de scheepsjongens - die in het want waren geplaatst - ons met luid gejoel. Men liet een stoel zakken, bedekt met een vlag, waarin de dames voorzichtig omhoog werden gehaald, om de trap te vermijden die de heren gebruikten.

Zolang de kapitein nog aan boord was had iedereen de hoogste lof voor hem, maar hij had zijn tweede voet nog niet op de lichter gezet of iedereen veranderde van taal. Op zulke momenten hoor je of de kapiteins al dan niet geliefd zijn. Dikwijls weigeren de matrozen hoezee te roepen, daar ze het met stokslagen hebben geleerd.

Nadat de bemanning verlof had gekregen, zagen we hoe de lading was gestouwd. In het ruim zijn alle specerijen in balen opgelegd en de peper - de meest gewone specerij - is ter versteviging tussen de balen geworpen. Lichters - barken met zeilen - brengen de koopwaren naar het pakhuis van de compagnie. Er is niets zo interessant als al die verschillende nationaliteiten, apen, papegaaien enz.

Nadat alles was afgelopen werd onze stoel weer op het jacht neergelaten en vergezelden kanonschoten ons over een hele afstand.

Nina d'Aubigny (1770-1847), Duits muzieklerares. Ingekort fragment uit Niet zo erg Hollands - Dagboek van een reis naar Nederland. Vertaling Heleen Metzelaar en E.R. d'Engelbronner. Verloren, 2001.

Meer over