Waarom Johan Cruijff de broer van God niet is

Charles Bromet en Willem Vissers

Column Langs de Lijn (NOS), 21 mei 2007

Dertien jaar geleden werd de finale van de Champions League ook in Athene gespeeld, in het Olympisch stadion. Ik bewaar er dierbare herinneringen aan; aan de wedstrijd tussen AC Milan en Barcelona, maar ook - en misschien wel vooral - aan wat er vooraf ging.

Het voorspel was onvergetelijk. Met onder anderen Guus van Holland van NRC Handelsblad bezocht ik een dag voor de finale een persconferentie van Barcelona. Het was het Barcelona van Johan Cruijff. En van Ronald Koeman, Guardiola, Bakero, Romario en Stoitsjkov; het zogenaamde Dream Team.

Twee jaar eerder had Barcelona dankzij een doelpunt van Koeman de Europa Cup gewonnen, na 36 jaar. Drie dagen voor de finale in Athene was Barcelona kampioen van Spanje geworden. De club en zijn aanhangers waanden zich onoverwinnelijk. Dat gevoel werd gedeeld door de Spaanse pers die Cruijff in de euforie zonder schaamte de broer van God noemde.

Voor een broer van God liet Cruijff zich een dag voor de wedstrijd tamelijk laatdunkend uit over de tegenstander. Cruijff vond AC Milan een matig ploegje. Het zou volgens hem zelfs een regelrechte schande zijn als Milan de finale zou winnen. Alleen met een overwinning van zijn eigen horde aanvallers zou het voetbal gebaat zijn.

De coach was na de persconferentie snel weer vertrokken. We kregen niet de indruk dat Cruijff zich in de tegenstander had verdiept. Dat liet hij altijd over aan zijn assistent, Tonny Bruins Slot, die zo vriendelijk was ons op het dakterras van het hotel in Athene uit te leggen wat er een dag later in de finale zou gebeuren.

Merkwaardige man, die Bruins Slot. Hij heeft bijvoorbeeld een geheel eigen taal ontwikkeld. Als hij een wedstrijd heeft gezien van een komende tegenstander, maakt hij daar een analysatie van. Zo noemt hij dat.

Destijds had hij AC Milan twee keer in actie gezien. Hij vond het he-le-maal niks. Zo zei hij het ook: he-le-maal niks. Geduldig legde hij Guus en mij uit hoe Barcelona AC Milan zou verslaan, namelijk met een 'kantelend' elftal. Een paar keer deed hij voor hoe de linksbenige rechtsbuiten Stoitsjkov zijn tegenstander, de rechtsbenige linksback Panucci, dol zou draaien.

Met moeite slaagden Guus en ik er in ons lachen in te houden, tijdens de analysatie van Bruins Slot. We wierpen, voor de vorm, nog tegen dat bij AC Milan toch echt wel een paar aardige spelers rondliepen, Savicevic, Donadoni, Desailly, Maldini, Albertini en Tassotti, maar hij luisterde nauwelijks. Barcelona hoefde de beker alleen nog maar even op te halen.

Een dag later werd Barcelona van het veld geblazen. Zelden was in een Europa Cup-finale het krachtsverschil zo groot. Panucci rukte onophoudelijk op, Stoitsjkov raakte geen bal, Koeman liep er verloren bij en Massaro, een spits waar de broer van God en zijn adjudant geen goed woord voor over hadden gehad, scoorde voor rust twee maal. In de tweede helft brachten Savicevic, met een historische boogbal, en Desailly de stand op 4-0. Guus en ik genoten en beneden ons werden de broer van God en Bruins Slot kleiner en kleiner.

We hadden in het hotel genoten van de hoogmoed en genoten er een dag later in het stadion van hoe de hoogmoed van Barcelona voor de val kwam. Milan-coach Capello en zijn spelers vertelden na afloop dat ze zich zeer hadden geërgerd aan de woorden van Cruijff. Ze wilden hem en Barcelona een lesje leren.

Misschien bestaat hij, de broer van God. Maar sinds die legendarische Europa Cup-finale in Athene weet ik zeker dat Cruijff zelfs geen ver familielid is.

Meer over